Robert Plant & The Sensational Space Shifters :: Lullaby And… The Ceaseless Roar

De schaduw van Led Zeppelin afschudden zal hem wel nooit lukken, maar in de afgelopen decennia heeft Robert Plant wel absoluut bewezen zijn mannetje te kunnen staan onder eigen naam. Vooral de laatste tien jaar is de man aan een sterk parcours bezig, dat met de recente worp Lullaby And… The Ceaseless Roar een uitstekend vervolg krijgt.

Binnen Plants ondertussen behoorlijk uitgebreide en bijzonder eclectische discografie, knoopt Lullaby vooral aan bij de geluidswereld van Mighty ReArranger, een carrièrehoogtepunt van jewelste uit 2005 met zijn band The Strange Sensation. Sterker nog, The Sensational Space Shifters die op Lullaby het muzikale mooie weer maken, is in feite zo goed als dezelfde band als The Strange Sensation, met enkel Dave Smith als vervanger van Clive Deamer achter de drumkit. Onder het alziend oog van opperhoofd Justin Adams keren dezelfde basiselementen uit die eerdere plaat hier dan ook terug: een moerassige blues- en folkvibe, tribale ritmes, wat elektronica en een energetische sound waarbinnen Plant zich kan uitleven zoals hij dat deed tijdens zijn Led Zeppelin-dagen.

Een typevoorbeeld van die sound is opener “Little Maggie”. Plant en zijn band arrangeren de bluegrasstraditional tot een soort ‘Marokko-meets-Missouri-meets-Mali’-versie waarin banjo en gitaar in de clinch gaan met de kologo (een eensnarig West-Afrikaans strijkinstrument) van Juldeh Camara, terwijl ronkende synth-golven samen met snelle drumritmes de song doen opborrelen tot een uiterst geslaagde stilistische en culturele hutsepot. Afsluiter “Arbaden (Maggie’s Baby)” mag als afsluiter de puntjes op de i zetten met een nog meer tribaal rommelende herneming ervan, maar dan met een vocale hoofdrol voor griot Camara in zijn moedertaal Fulani. “Poor Howard” geeft dan weer een boeiende update van een Leadbelly-song door een hinkelende banjo aan klanken uit de Britse Eilanden te koppelen.

Die songs hadden zonder meer op Mighty ReArranger gekund, maar voor het grootste deel is Lullaby toch geen doorslag van die illustere voorganger, omdat Plant duidelijk enkele andere nadrukken legt. Erg opvallend is het hoe vaak het grote gebaar wordt bovengehaald. Goede voorbeelden daarvan zijn het jubelende “Rainbow” en het naar duistere triphop neigende “Embrace Another Fall”. Hier en daar klinken die songs zelfs alsof The Edge een plotse interesse aan de dag is gaan leggen voor etnische klanken. Ook “Pocketful Of Golden” is ongegeneerd poppy, maar weet zich te distantiëren door de schrapende snaarklanken van Camara, die het stuwende ritme richting Noord-Afrika transporteren. De melancholische pianoballade “A Stolen Kiss” laat de exotische invloeden voor wat ze zijn en kiest voor een traditioneel geluidspalet, maar weet even goed indruk te maken.

Plants fascinatie voor mystiek en etnische symbolen blijft sterk, al wordt de taal die hij daarbij heeft ontwikkeld opmerkelijk vaak aangewend in teksten die over liefde, en dan vooral de beëindiging ervan, handelen. Lullaby And… The Ceaseless Roar is in zekere zin een breakup-plaat, maar legt ook genoeg andere tekstuele accenten om de muzikale variatie ook naar een breed lyrisch palet te vertalen. Tegelijkertijd is net die variatie ook een beetje de achilleshiel van de plaat en dragen sommige songs niet echt bij tot het totaalbeeld. “Somebody There” is bijvoorbeeld te poppy voor zijn eigen goed en ontbeert de eigenzinnige klanken die elders zo aanwezig zijn.

Net als de meeste platen van Led Zeppelin wordt hier dan ook een brede staalkaart aan songs voorgelegd waarvan de meeste een schot in de roos zijn maar enkele toch de bal enigszins misslaan. Grotendeels blijft Lullaby wel gespaard van vulsel en krijgen we in de vele hoogtepunten een duidelijke muzikale visie te horen. En dat is al een pak meer dan waar de meeste van Plants generatiegenoten mee kunnen uitpakken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 13 =