Stanton :: Stanton

Vlaamse Americana. Echt kloppen doet die term misschien nog niet, maar figuren als o.m. Bruno Deneckere, H.T. Roberts en TMGS lieten al horen dat er helemaal geen reden is om er smalend over te doen. Zij krijgen nu gezelschap van Stanton, een band kleppers rond zanger/gitarist Geert Hellings die laat horen dat de dagen van slaafse imitaties al lang voorbij zijn. Dit is gewoonweg een goede rootsplaat. In Vlaanderen én in Alabama.

Opmerkelijk: je debuutplaat meteen laten produceren door een cultklepper als Jim White. Het verhaal dat erachter steekt is nog mooier: Hellings’ fascinatie voor de figuur en de muziek van White begon na het bekijken en herbekijken (want dat doe je gegarandeerd) van Searching For The Wrong-Eyed Jesus, de beste muziekdocumentaire-annex-roadmovie van de 00s. Met het geluk aan z’n zijde is hij er vervolgens in geslaagd om contact te maken én te houden met White en intussen, een jaar of zeven na de oprichting van de band, ligt het album ook in de winkelrekken. De eigenzinnige stempel van White, nog altijd een outcast-figuur, is hier en daar duidelijk voelbaar, maar de veelzijdigheid, zowel wat genres als speelstijlen betreft, en persoonlijke verteltrant heeft Hellings nog sterker te danken aan de integriteit waarmee hij deze muziekvorm zelf naar zijn hand weet te zetten.

Dat Hellings, zelf gitarist bij BRZZVLL en Guido Belcanto, omringd wordt door muzikanten die al een en ander bewezen hebben bij o.m. Sukilove, Dez Mona, Gorki, The New Radio Kings, The Moon Lovers, en op die twee gruwelijk onderschatte platen van Chitlin’ Fooks, is natuurlijk ook niet weg te moffelen. Studiomuzikanten, denkt u? Ja natuurlijk, dat ook, maar ze zijn heus niet vergeten om er ook wat soul, emotie en rijke bagage in te steken, want anders volg je niet zo’n mooi parcours als Stanton in de eerste helft van de plaat. De instrumentale aanloop is zeer compact, maar creëert meteen die weidse rootssfeer die je meevoert naar de plains van Nebraska en het eindeloos uitgestrekte en lege niemandsland van Montana. Of naar de meesterlijke rootsmuziek van figuren als Rainer Ptacek, Bob Brozman en Ry Cooder.

De invloed van White is meteen duidelijk vanaf “Moving South”. Mooi om te horen hoe de song een melancholische breekbaarheid krijgt die nergens vervalt in zelfbeklag en hoe de band zich voortbeweegt als een wat lichtere stappende versie van Crazy Horse. Het tempo is gezapig, de zangpartij wordt half gefluisterd en er komt een banjo en een jankende steel guitar aan te pas. En dan moet je nog aan dat mooi openbloeiende refrein met charmante backing vocals van Laura Huysmans (een gouden joker doorheen het album) beginnen. Een heel andere gedaante, die ook wel overeenkomsten vertoont met White’s universum, krijg je in “Closer Would Be Nice”, dat minder gepolijst is. Moerassig en tegendraadser bricolagewerk.

Maar er valt nog meer te beleven: het met toeters en bellen opgeluisterde “Melody Can Fly” smeekt om afgespeeld te worden tijdens lange autoritten en wordt qua single-gehalte enkel voorbijgesneld door het nog aanstekelijker “Mississippi Song”, dat zich ergens in het zongeblakerde terrein tussen JJ Cale en Calexico nestelt. Die Cale is ook hoorbaar in het eveneens met blazers en rollend orgel versierde “The Flood”. Ofwel denk je aan Dire Straits, maar hun beste werk putte dan vooral ook uit het pionierswerk van Cale. De blazers zorgen alleszins voor een zuidelijker, wat New Orleans-aandoende sfeer. En zo is meteen ook de link gelegd met het jazzy “Babylon”, dat door de combinatie van swingende gitaar en viool verwijst naar de zigeunerjazz van Reinhardt & Grappelli.

En zo zit er tussen de intro en de eveneens instrumentale afsluiter “Madam Fortuna” een plaat verstopt die het misschien niet moet hebben van een vernieuwende insteek en boude experimenten (daarvoor ben je binnen dit genre doorgaans ook aan het verkeerde adres), maar die wel een geloofwaardige en consistente update biedt van een door-en-door Amerikaans genre, met hier en daar een introvertere streep Jeffrey Foucault of een snuifje van het verhalende van Richmond Fontaine. Zolang Vlaanderen wordt bevolkt met individuen die al graag eens een eindje wegmijmeren en persoonlijke verhalen verpakken in constructies van aangeslagen snaren en universele observaties, is er geen reden om dit soort uitlaatkleppen niet aan te moedigen. Laat die Hellings maar doen. Een betere Vlaamse rootsplaat zal er vermoedelijk niet zo snel van komen.

De band speelt twee try-out concerten – 20/9 in ’t Smiske (Asse) en 26/9 in De Singer (Rijkevorsel) en daarna doorkruisen ze de Vlaamse prairie. Meer info en data op de website.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × vier =