The National :: Trouble Will Find Me

De afgelopen jaren zag The National hun publiek zachtjes aanwassen zoals ze hun eigen songs laag per laag opbouwen. Dankzij platen die nooit zelf een breder publiek zochten, maar zich lieten vinden. Bevrijd door dat succes klinkt The National, altijd al een vat vol tegenstellingen geweest, echter getormenteerd als nooit tevoren.

Vooral High Violet zorgde ervoor dat The National de zon zag ondergaan vanop een podium in Werchter in plaats van Dour of Herk-de-Stad. Het geluid mocht ook weidser in de uitdijende zalen, de Dessners hielden de gitaarhalzen al meer naar boven gericht. De band maakte, uitgedaagd door Michael Stipe, minder gelaagde popsongs als “Anyone’s Ghost” die niet alleen in hun Fake Empire op de radio konden. En aan het einde barstte de aangehouden spanning sinds Boxer open in het orkestrale “England”. Als een onweer dat de broeierige lucht die hun platen stilaan kenmerkte wegwaste. Maar hun DNA bleef ondanks dat succes intact als de Coca-Colaformule ondanks een hemelbestormend marktaandeel.

Nu hun momentum compleet is, kiest de band er niet voor zijn geluid nog verder te verbreden parallel aan het publiek — je wilt ze geen pint betalen, de bands die dat wel doen — maar dat eigen DNA uit te diepen. De melodieën zijn tederder, fijner, fragieler dan ooit en nemen als vanouds nooit een hoge vlucht door de drums van Devendorf die hen weer strakker in het gareel houdt. Arrangementen zwalpen met een fles wijn in de hand tussen spaarzaam en rijk. Strijkers en blazers ruisen in het door de herfst uitgedunde struikgewas in plaats van erboven uit te steken. Op “Fireproof” zorgen ze voor een hypnotiserende onderstroom, in “Heavenfaced” blazen ze enkele wolkjes op het raam terwijl je net als in “I Need My Girl” een breed georkestreerde finale verwacht. Dat die uitblijft, maakt dat de plaat per luisterbeurt als een steeds strakkere enkelband aanvoelt.

Het gejaagde geroffel van Devendorf maakt van “Don’t Swallow The Cap” en “Graceless” songs die zo op Boxer hadden kunnen staan. Daardoor heeft ook geheide publieksfavoriet “Sea Of Love” geen demosound nodig als “Terrible Love” om geen anthem te worden. Het is de enige keer dat The National echt knalt, want de meeste songs zijn in zichzelf gekeerd en richten voornamelijk de blik op wanneer Matt Berninger, opvallend vaak, hoger zingt dan gewoonlijk. Op High Violet scheen er licht binnen door de arrangementen, nu is Berninger zelf de verpersoonlijking van The Nationals kenmerkende contrasten.

Want deze keer is het vooral hij, de enige fuck-up ter wereld wiens ongedurigheid troostend klinkt, die deze plaat nadrukkelijk draagt met zijn beste teksten tot nu toe. Als vanouds zijn het weerslagen van de secret meetings with his brain, zich wentelend in tragikomische romantiek ergens halverwege tussen waanzin en weemoed. Hij boetseert zijn twijfels, demonen, wrok en verlangens weer tot personages die op deze plaat Davy, Joe, Jenny en Jennifer heten. Sentimenteler klonk hij nog nooit, maar net als het fatalisme van de albumtitel wordt dat smalend beleden. “I only have two emotions / careful fear and dead devotion / I can’t get the balance right” klinkt het in “Don’t Swallow The Cap”. Trouble Will Find Me is een zoektocht naar die balans.

Maar die helt zwaar negatief over. “I don’t need any help to be breakable, believe me” verzucht hij in “Slipped”. Berninger schrijft verrassend concreet deze keer, ijlend op het ziekbed van de liefde. “Baby you gave me pain and tears / Baby you left me sad and high” klinkt het aan het einde van “This Is The Last Time”, waarin zijn koortsige gedachten samenvloeien met die van de sussende Sharon Van Etten. Een nummer als ziekte en medicijn tegelijk, misschien wel het pijnlijk mooiste moment van The National tot nu toe. Is Cohen de man van de beelden, dan Berninger die van de oneliners als “You didn’t see me I was falling apart / I was a television version of a person with a broken heart” in “Pink Rabbits”. Hands down.

Na de verbreding kiest The National op Trouble Will Find Me dus resoluut voor de verdieping. Het resultaat is hun zwaarmoedigste, meest verfijnde en pijnlijkste plaat tot nu toe, waarop de band gewoon, complexloos zijn eigen geluid perfectioneert. The National is z’n enige referentiepunt geworden. En in het selecte clubje van wie daarin geslaagd is, zijn ze nog de outcasts ook. Een band die gaat voor intens ten nadele van iconisch, maar met wat goodwill van de geschiedenis net daardoor als beide herinnerd zal worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 13 =