Met de start van september begint het najaar nu echt aan te dringen, maar laten we nog even doen alsof er nog tijd zat is voor, toe, nog een paar zomerfeestjes deze maand. Zou Matt Berninger weten dat het hier bij ons vandaag van back to school is? Een uitverkocht OLT Rivierenhof liet het alleszins niet aan zijn hart komen. Allemaal samen: “Get sunk! Get drunk!”
Ronboy, het muzikale alter ego van Julia Laws, mag Matt Berninger heel dankbaar zijn. Onder de indruk van haar eerste EP’tje nam hij haar op in zijn soloband, en van daaruit gaat het natuurlijk hard. Het was vooraf maar de vraag hoe Laws haar eigen sound kon verzoenen met die van haar ontdekker. Vanavond doet Ronboy dat voor ons door met haar basgitaar om de nek op te komen. Wat werkt voor Idles (ze stond Joe Talbot en co eens bij op een benefiet), werkt ook voor ons. Het is haar meteen menens, wanneer ze van jetje geeft in vertimmerde versies van haar studiowerk, dat meer aan St. Vincent herinnert dan aan de act waarvoor ze ons warm moet maken.
Wanneer Berninger een gastrol krijgt, zorgt hij meteen voor een leuk momentje: “Wrong side of the tent, I was”, komt hij op haar schouder tikken, waarop zij: “Story of our lives”. Beetje getelefoneerd, oké, maar even goed charmant. Wat volgt is duet “Disaster”, een luide, kwaaie song waarin Laws zichzelf als rampgebied verklaart, waarop Berninger snauwt hoezeer ze wel ongelijk heeft. Ze kan het ook ingetogener, helemaal alleen met simpel spel op haar basgitaar. “You can blame me if I go crazy”, kreunt ze zwoel. Jammer dat haar brave stem, hoe goed die ook is, vloekt met de ruigere sound die haar band de songs geeft. Zo krijgt haar werk nooit de impact die haar muziek boven het niveau van opwarmer kan tillen.
Er is geen publiek dat een beetje Matt Berninger wegwijs moet maken in het opzetten van een set die memorabele momenten belooft vanaf de eerste noot. “No Love”, heet die voorzet, met Ronboy op elektrische piano en verder dezelfde band als daarnet. Berninger beeldt z’n teksten uit als een pantomimespeler, net zoals hij dat bij The National doet, want daar werkt dat ook. Van “Frozen Oranges”, een van de intiemere songs op Get Sunk, valt de brug positief op in vergelijking met de plaatversie.
“Breaking Into Acting” is dan weer voorspelbaar. Op papier is het een sterk concept voor een song, maar ook live krijgt dat idee niet de diepgang die het verdient. Op “Distant Axis”, de eerste keer dat Berninger hier teruggrijpt naar zijn solodebuut, tovert hij schijnbaar uit het niets een mondharmonica om het refrein kracht bij te zetten. Het klinkt wat krakkemikkig, weet hij zelf ook. Voor lessen sprak hij harmonica player to the stars Mickey Raphael aan, en die zou “fuckin’ YouTube, dude” aangeraden hebben, maar zelfs dat was niet aan hem besteed. Toch raakt hij ermee weg, zo groot is de mantel der liefde.
“Silver Springs” is de tweede song van Serpentine Prison, maar die blijft wat hier en nergens hangen: te traag. Berninger blijft ondertussen wel dansen, of toch kronkelen, zoals die beschonken nonkel naar ’t eind van dat familiefeest. “Junk”, een beetje een grijze muis op Get Sunk, krijgt dankzij de drums een hartslag die op het album ontbrak. “Most of these songs are optimistic, maybe naive”, lacht Berninger tussendoor met zichzelf, voor hij “All For Nothing” inzet. Door nadrukkelijke drums en piano krijgt het de juiste zwaartekracht, zeker wanneer zijn stem aan volume wint. “It’s not, I hope it’s not”, glimlacht hij achteraf over zijn eigen songtitel.
Met “Black Letter Font”, een oefening in wat een toekomstige song van The National zou kunnen zijn, krijgen we ook een nieuw nummer. Het zou maar de tweede keer zijn dat Berninger dit brengt, en het blijft zoeken naar iets dat werkt, maar goed begonnen is half gewonnen. “Nowhere Special”, die drammerige duisternis uit Get Sunk, bewijst hier hoe off the cuff de opname moet geweest zijn. Berninger gaat vreemd met wat op plaat belandde in een gemompelde tirade die duidelijk telkens anders zou kunnen zijn. Het ontaardt in teringherrie, en het publiek smult ervan.
Om dat door te spoelen, schenkt Berninger ons het smekende “One More Second”, dat bijna hapert door problemen met de microfoonstandaard – Berninger is net op tijd bij de les. Zowel zanger als band geven de song oprecht gevoel bij wat een duidelijke publieksfavoriet is, tot nu toe. “Silver Jeep” is meer van dat, flirt live nog meer met “Pink Rabbits” van The National dan op het album, en het samenspel met Ronboy op keyboard is er knal op. “Little By Little” schurkt andermaal dichter bij wat The National doet, en ook een tweede nieuwe “Why Don’t Nobody Love Me?” toont, hoewel die net niet overboord gaat in al zijn branie, hoe moeilijk Berninger The National kan loslaten.
Vechten tegen die bierkaai heeft geen zin, beseft ook Berninger. “This band changed my life”, kondigt hij zijn eigen “Gospel” (van op Boxer uit 2007) aan, en het zal nog niet dat zijn leven sindsdien veranderd is. “Terrible Love” is pas echt een schot in de nostalgische roos: Berninger zoekt contact, paradeert door het extatische publiek vooraan, aanvaardt de adoratie met de nonchalance van een slungel die zichzelf per abuis ontdekt heeft als cool. Er is geen dak in dit openluchttheater, maar toch: het is eraf. De reguliere set eindigt bijna vanzelfsprekend met “Bonnet Of Pins”, en op deze zomeravond voelt het als een update van Don Henley’s “Boys Of Summer” voor zij die in dat 1985 nog te jong waren, met een gelijkaardig verlangen naar een oude vlam.
Voor de bisronde krijgt Berninger ergens uit het publiek een vlag van de VS, maar het punt gaat wat verloren. “Fuck Trump!”, knoopt Berninger uiteindelijk aan “Times Of Difficulty”, en da’s te makkelijk. Dan onthouden we liever de boodschap “I’ll think of you if you think of me”, die gemeend persoonlijk, van artiest tot publiek, klinkt. Totale verbijstering volgt, wanneer de band de onmiskenbare aanzet van New Orders “Blue Monday” begint te spelen, kwestie van het feest finaal in zijn plooi te leggen. “How should I feel?”, herhaalt Berninger op het laatst, maar de vraag is meer of wij nog weten hoe we ons moeten voelen. Zo wordt “Inland Ocean”, om af te ronden, eigenlijk bijna een maat voor niets.
Dit optreden toonde vele gezichten, maar ze bevonden zich allemaal aan de manische kant van het spectrum, alsof de sfeer op elk moment kon omslaan. Pirouettes aan de rand van de afgrond, waren het vaak, maar Berninger wist, meer zegedronken dan gewoon dronken, zijn evenwicht te behouden.



