Iron & Wine :: Ghost On Ghost

Tegenwoordig is Iron & Wine veel meer dan Sam Beam die alleen op zijn slaapkamer liefelijke melodietjes in zijn 4-track recorder influistert. Live is Iron & Wine ondertussen uitgegroeid, of uit de hand gelopen, tot een twaalfkoppige band en ook dit nieuwe album heeft opnieuw een lange reeks indrukwekkende gastmuzikanten. Toch kan al die muzikale weelde en de vaak innemende, nostalgisch aandoende productie niet verbergen dat de individuele liedjes al te vaak nergens heen gaan.

De meeste hoogtepunten van dit album zijn dan ook de prachtige hoorn- en strijkersarrangementen van Rob Burger (van Tin Hat Trio) die met de warme gloed van Atlantic R&B- en soul-opnames uit de jaren ’60 en ’70 dwepen. Zo wordt het wat middelmatige “New Mexico’s New Breeze” van de vergetelheid gered door de gedreven discostrijkers op de achtergrond, terwijl “The Desert Babbler” qua drumritme en melodie dan weer een stevige knipoog is naar Marvin Gayes “Mercy, Mercy, Me (The Ecology)”. Het is een in alle opzichten sterk nummer en bovendien één van Sam Beams beste vocale prestaties op plaat tot nu toe.

Doorheen het hele album valt überhaupt op hoezeer Beam zijn stem uitgegroeid is tot een volle, warme bariton die ook in falset een rots in de branding blijft. Het is alleen jammer dat, net zoals de wisselvallige voorganger Kiss Each Other Clean uit 2011, overbodige “ooh” en “aah” en “papapa” koortjes constant op de achtergrond blijven opduiken. Brian Decks productie klinkt tegelijk licht verteerbaar en overdadig en kan niet verbergen dat de liedjes niet tot de sterkste uit het Iron & Wine-oeuvre behoren.

Neem bijvoorbeeld het vooruitgestuurde, chaotische “Lover’s Revolution” dat muzikaal of tekstueel kant noch wal raakt. De Charles Mingus-achtige jazz-breaks zijn ongemakkelijk en vreemd en het beschonken call and response-“refrein” helpt het lied helemaal naar de verdoemenis. Opener “Caught In The Briars” klinkt dan weer zonnig als Van Morrison uit zijn Into The Music-hoogdagen en zou een hoogtepunt kunnen zijn, ware het niet dat door de abstracte acid-jazz outro die abrupt opduikt, het lied de verdoemenis intuimelt.

Hoe groovy nummers als “Low Light Buddy Of Mine” of “Singers And The Endless Song” ook zijn, ze lijden onder een overdaad aan contrastieve beelden en Bijbelse verwijzingen: we hebben dit al eerder in Iron & Wine gehoord. Ook de ballads, nochtans op vorige platen altijd goed voor menig traan- en kippenvelmoment (“Tree By The River”!, “Passing Afternoon”!!, “The Trapeze Swinger”!!!), zijn ofwel klef, zie “Joy”, of raken niet omdat ze te kort en nietszeggend zijn, zoals “Grass Widows” of “Winter Prayers”. Dergelijke vrijblijvende schetsen klinken beloftevol, maar hebben geen echte pointe.

Iron & Wine herpakt zich nog op het einde met de sterke, aan “Flightless Bird, American Mouth” verwante sleper “Baby Center Stage”. Het is een teken van hoe goed het had kunnen zijn, als hij maar alle tierlantijntjes achter zich laat. Goed, het koor dat uitgeleide doet zeurt wat te lang door, maar de beelden van het in falset gezongen refrein voelen eindelijk weer eens aangrijpend en doorleefd aan: “In your restless days/I’ve made my bed/I’ve dug my grave/In your restless nights/We both swam blind/Somehow falling into the light”. Het klinkt als een diepgaande, snijdende grafrede aan een verloren liefde en een absolute sterkhouder, ook omdat dit nummer een emotionele climax heeft die bij de andere liedjes ontbreekt.

Sam Beam beschreef Ghost On Ghost in interviews al als een beloning aan zichzelf voor de zware sfeer van zijn laatste twee albums. Het is, ondanks de spuuglelijke hoes, inderdaad een licht verteerbare plaat in pastelkleuren, ideaal om met de ramen wijd open naar te luisteren nu dat eindelijk weer kan. Met echter niet meer dan een handvol échte hoogtepunten, moeten we toch concluderen dat Iron & Wine veel beter kan. Wat was dat nu ook alweer met de eerste zwaluw en de lente?

Iron & Wine speelt op 3 juni in de Cirque Royal in Brussel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − vier =