Julia Stone :: By The Horns

De hechte bloedband tussen broer en zus moet soms worden doorgeknipt om tot een tweede adem te komen. Tot deze these moet Julia Stone zijn gekomen toen ze twee jaar geleden haar eerste plaat zonder broerlief opnam. Toen de daaropvolgende schrijfsessies voor nieuw gezamenlijk werk tot grote besluiteloosheid leidden, besloot ze om de ‘Angus &’ toch nog maar even in de koelkast te zetten en zich eerst op een tweede soloplaat te concentreren.

Ondanks de beeldschone single “Maybe” onthaalde de pers het country-noiralbum The Memory Machine slechts matig. Als voor de hand liggende reden werd gretig de kaart van het gemiste contrast met de rauwheid van Angus getrokken. Achteraf gezien lijkt de lauwe respons veeleer toe te dichten aan het gebrek aan complementariteit tussen de nummers onderling. Elke song die twee jaar later afzonderlijk in de shuffle verzeilt, roept steevast een warm gevoel op, maar in een reeks botst het materiaal te vaak over en weer tussen bittere tristesse en zoete hoop.

Voor haar tweede langspeler vatte Stone deze koe .. ehm … bij de hoorns en zocht ze een gulden middenweg. Weg zijn de bijwijlen feestelijke instrumentaties, maar weg zijn eveneens de donkerste dalen die ze in haar debuut nog opzocht. Op deze plaat horen we een minder zoekende vrouw die als met een zweem lithium in het bloed aanvaarding betracht. Niet dat dit noodzakelijk een nadelig effect hoeft te hebben. Door haar leed te verbergen achter een beate glimlach maakt Stone van het verdoofde relaas van een leeggebloede relatie “It’s All Ok” een weemoedige countrysong die aan het beste werk van Dolly Parton doet denken. Wanneer ze zich ook in het tranendal “I’m Here, I’m Not Here” lijkt te schikken in haar lot, krijg je echter zin om haar eens flink door elkaar te rammelen.

Op muzikaal vlak lijdt de eerste helft van By The Horns wel vaker aan een teveel aan gematigdheid. De voorzichtig aftastende opener “Let’s Forget All The Things That We Say” is niet veel meer dan een lightversie van Alessi’s Ark, een mislukte poging om sprookjesachtig te klinken die door een te lege instrumentatie aan sfeer moet inboeten. Ook de lijzige cover van The National’s “Bloodbuzz Ohio” lijkt geen moeite te doen om aan het niveau van het origineel te tippen. Een schande dat hun vaste medewerker Thomas (Doveman) Bartlett, die hier achter de knoppen plaatsnam, deze fletsheid niet tot een b-side maakte.

Net wanneer je By The Horns als lome eenheidsworst wil klasseren, trekt de plaat zich echter recht in een verrassend sterke tweede helft. De droompop van “Justine” toont voor het eerst wat levenslust en verwelkomt meerdere facetten van Stone’s persoonlijkheid. Een doemlolita ontwaakt tijdens “With The Light”, een sfeerstuk dat repetitiviteit tot een kunst verheft en met een lik elektronica sluimerend onder je huid kruipt. Ook muzikaal wordt de plaat dus steeds interessanter, zoals de diffuse gitaarsolo van “I Want To Live Here” kan getuigen.

Langzaamaan kruipt Stone doorheen deze nummers uit haar cocon om van schim tot vrouw van vlees en bloed te evolueren. In de afsluitende nummers weet ze na een reeks onderkoelde gevoelens alsnog te verbluffen in alle serene eerlijkheid. De bloedmooie titeltrack puurt sterkte uit al het leed (“I believe in love / No darling you can’t take that away from me”). Zelfs de opvallende gelijkenis met Martha Wainwright is haar bij deze graag vergeven. Vanuit deze sterkte durft Stone in de verstilde afsluiter “The Line That Ties Me” voor het eerst echt haar kwetsbaarheid bloot te geven. Met zoveel fragiele menselijkheid voelt dit tranendal vreemd genoeg als een verlossing.

By The Horns is meer dan de voorganger een album, meer bepaald eentje dat stilstaan en doorgaan als rode draad gebruikt. Spijtig genoeg blijft ze eerst te lang ter plaatse trappelen alvorens te ontdooien en naar de keel te grijpen. De tweede helft had een ijzersterke EP kunnen opleveren, maar om tot een langspeler te komen is er te veel vulling bijgepropt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − 5 =