Kjetil Moster :: Blow Job

Møster, die de jazz rond 2007 afzwoer om zich volledig toe te leggen op elektrorockproject Datarock, stapt nu opnieuw de wereld van de geïmproviseerde muziek in. Dat doet hij niet door, zoals verwacht, een voorzichtige tussenstap te zetten, maar door boudweg op de proppen te komen met een soloplaat die in de buitenste regionen van het genre terug te vinden is, daar waar fans van outsider music elkaar vinden en allerhande obscure stuff aan de hand doen.

Mooi verhaal, nochtans. De man begon op accordeon, maakte z’n intrede in de muziekwereld als bassist bij een thrashband, maar bekeerde zich, net als zoveel anderen, tot de jazz na het ontdekken van John Coltrane. Hij hing een paar jaar rond in de dan op exploderen staande Noorse improvisatiescène en dook vervolgens onder in de wereld van de undergroundrock. Een ietwat vreemde keuze, aangezien hij al aan het werk geweest was naast behoorlijk invloedrijke figuren als Paal Nilssen-Love, Maja Ratkje en Jim Black.

Hij was onlangs ook te horen als lid van het Trondheim Jazz Orchestra, dat nog de blazerspartijen voor z’n rekening mocht nemen op Motorpsycho’s The Death Defying Unicorn, maar dit is heel ander beestje. De titel kan best letterlijk worden genomen, want weinig anderen voor hem hebben de pure ademhaling en de luchtverplaatsing zo centraal gesteld. De eerste drie minuten van die opener laten bijvoorbeeld niets anders horen dan het in- en uitademen in een tenorsax, met hier en daar een tikje, maar voor de rest vooral ruisende en zuchtende bewegingen, tot de tweede helft van het stuk krom, repetitief geblaat laat horen.

Die volstrekt uitgepuurde aanpak staat redelijk ver af van de hypergeconcentreerde, technische hoogstandjes van pakweg meesters als Evan Parker en John Butcher en sluit meer aan bij wat Martin Küchen liet horen op zijn The Lie And The Orphanage, een plaat die al even sterk geobsedeerd was met het detail en daarmee aan de slag ging. Het verschil is dat Küchen ondanks die vrij radicale interesses zelden de emotie achterlaat, en dat is iets minder sterk ontwikkeld bij Møster, al moet je ‘m nageven dat hij wel weet te volharden met koppige variaties in “Partially Natural” en iets lyrischer, maar even onvoorspelbaar spel als in “No Wonder We Love”.

“Seaweed” herhaalt de blaassessie van de titeltrack zonder ook maar een zuivere noot te betrekken in die vier minuten, maar uiteindelijk is het afsluiter “I’ve Been Loosing [sic] Me” dat met de hoofdvogel gaat lopen. Vanuit een paar scheurende noten wordt hier immers gewerkt aan een improvisatie die even wringend als gefocust is en herhaaldelijk doet denken aan de rauwe expressie van een Brötzmann. Het is hier dat de immense concentratie het meeste indruk maakt, zeker als hij ook nog eens gaat uitpakken met staccato uithalen die doen denken aan Gustafssons opener van The Things Bag It.

Voor wie maar een zijdelingse interesse heeft voor jazz of geïmproviseerde muziek is dit ongetwijfeld te veel, of beter: te weinig van het goede. Gevorderde luisteraars die een stootje kunnen verdragen en liefhebbers van van de pot gerukte experimenten die zich eenvoudigweg niet laten klasseren, die zijn bij Møster en zijn Blow Job aan het goede adres. Een merkwaardige release.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + een =