Match&Fuse Festival :: 15-17 oktober 2015, Londen

In juni van 2013 trokken we naar Oslo voor de tweede editie van het rondreizende Match&Fuse Festival. We hoorden er heel wat boeiende nieuwe geluiden en deden er ontdekkingen, en keerden naar huis met het gevoel dat er veel, heel veel, zat te broeien onder het oppervlak van de Europese avontuurlijke muziek. Hoog tijd dus, om twee jaar later nog polshoogte nemen op een nieuwe editie van Match&Fuse, die deze keer plaatsvond in thuisbasis Londen.

We zagen in Noorwegen op twee dagen tijd twee dozijn bands die links hadden met de werelden van jazz, improvisatie en de vele crossover-vormen die daarmee gemaakt kunnen worden. Wat door de korte sets en veelal jonge bands zou kunnen aanvoelen als een doorsnee showcasefestival groeiende snel uit tot iets dat meer was. Veel meer. De ene ontdekking volgde de andere en de toekomst zag er ineens weer wat rooskleuriger uit. Met onverminderd enthousiasme had festivaldirecteur Dave Morecroft, zelf nog altijd aanvoerder van het fijne World Service Project, opnieuw een fijn programma samengesteld over drie avonden en een handvol locaties. En ook deze keer lag de nadruk vooral op genrekruisend avontuur: van de bands die we zagen waren er geen twee gelijk, of zelfs vergelijkbaar, en toch leken ze allemaal wel ergens verwant. Vermoedelijk gaat het daar om een jazz- of improsensibiliteit, want zelfs bij de bands met de meest hechte structuren, voelde je een spirit die inging tegen die van beperkende conventies.

Donderdag 15 oktober

Voor de eerste festivaldag werd halt gehouden in de legendarische club The Vortex, al vijfentwintig jaar een vaste waarde, met regelmatig tot 400 performances per jaar. Een compact zaaltje waar veteranen (Evan Parker heeft er zo’n beetje z’n officieuze thuisbasis) en aanstormend talent zich volledig kunnen laten gaan, terwijl een organisatie van vrijwilligers z’n best doet om dat allemaal in goede banen te leiden aan democratische prijzen. Het was hier dat we kennismaakten met festivalopener Blue-Eyed Hawk, een jong kwartet dat vorig jaar zijn debuut uitbracht bij het fijne Edition Records, van o.m. ook Tim Garland, Phroneses en Dave Stapleton. Ook deze band liet horen dat er een frisse wind waait door het Britse muzieklandschap, met een sound die even krachtig als lyrisch kon zijn, en even weids als benauwend.

Met zangeres Lauren Kinsella heeft het kwartet meteen ook een enorme troef in huis. Ze klinkt alsof ze de hele Britse pastorale folktraditie ooit wel doorgenomen heeft, maar tegelijkertijd een zwak heeft voor experimentele stemvocalisten, waardoor ze nu en dan wat herinnerde aan Ina Sagstuen, die we in 2013 met o.m. Karokh aan het werk zagen. Gesteund door een stevige fond van gitaar en drums, en het trompetwerk van Laura Jurd (die dubbelde op toetsen), dat nu en dan bewerkt werd met effecten, leek het even alsof de vier knetterende jazzrock en haast romantische pop wilden verenigen. Knappe verrassing was het derde stuk, dan van start ging met de twee vrouwen die een prachtig, Scandinavisch getint duet speelden, maar gaandeweg gezelschap kregen van zoemende EBowgitaar en ritselende drums. Best wel wat poëzie dus, maar nu en dan ook wat agressiever, met prikkelend gitaarwerk van Alex Roth, die het slotstuk door het gebruik van een slide een filmische draai gaf. Het was een knap einde dat hier en daar zelfs wat herinnerde aan Björk en gaandeweg de intensiteit deed stijgen.

De band die de wenkbrauwen het meest naar boven liet gaan, was ongetwijfeld het Poolse duo J =J, Joanna Duda en Jan Emil Młynarski. Hoewel ze er uit zagen als een B-Boy duo met genoeg swag voor SYTYCD, compleet met scheve petjes, speelde zich al snel iets heel anders af, want Duda, een klassiek geschoolde pianiste, was al snel in de weer met piano en elektronica, terwijl haar kompaan van weerwoord diende met gebroken drumritmes. Ongebruikelijk, net als dat andere Poolse duo, Mikrokolektyw, maar hier dan vooral uit z’n voegen barstend door stuiterende ritmes, vermangelde of eindeloos herhaalde samples en repetitief gedonder. Leek de piano het ene moment nog bijzaak, daar werd iets later over het ivoor gerend met een verrassende souplesse.

J=J schoot met een imposante zwier uit de startblokken, herinnerde hier en daar vaagweg aan wat Brad Mehldau en Mark Giuliana doen, maar sloot nauwer aan bij de kitsch van de R&B, maar net zo goed door zeer minimalistische passages in te lassen, die op hun beurt dan weer gevolgd werden door heftige climaxen. De samples leken soms weggeplukt uit de plaatste slaapkamersoul, maar werden gradueel geperverteerd, uitgehold, omringd door stuiterende, stotterende, hortende en stotende ritmes en klanken, opgejaagd door plotse versnellingen en dwarsliggende vertragingen van lome bassen. Heel even klonk het alsof Knalpotdrummer Gerri Jäger achter het drumstel zat, met die metronoonstrakke sci-fi-aanpak. J=J gaf vooral in het begin van de set de indruk van een andere planeet te komen, maar zorgde niettemin voor de verrassing van de dag.

Het Finse trio Mopo, opgericht in 2009 en intussen goed voor twee albums – Jee! (2012) en Beibe (2014) -, is intussen geen onbekende meer in het Europese festivalcircuit. Met hun eclectische sound, naar eigen zeggen vooral beïnvloed door “jazz, 70s punk and the Finnish nature”, hebben saxofoniste Linda Fredriksson, bassist Eero Tikkanen en drummer Eeti Nieminen meer dan voldoende in huis om een sterke set neer te zetten. Nieminen introduceert gortdroog met “Thank you, our first song is called “Hevi Metal””, en het trio is vertrokken voor een compacte set via een bochtig parcours, waarin Fredriksson soms behoorlijk heftig van leer trekt, maar dat op andere momenten weer een stuk ingetogener klinkt. Soms heeft het door die combinatie van punch en hoekigheid, en Fredriksson spel op altsax én baritonsax (ja, tegelijkertijd), zelfs iets van het NRG Ensemble, meer dan van Roland Kirk.

Op altsax soleert Fredriksson een knap eindje weg met hysterisch gekweel en dan doet ze er nog wat geschreeuw in de klankbeker bovenop. Intussen houdt Tikkanen het erg broeierig met repetitieve figuren die, samen met het elastische spel van Nieminen – niet helemaal free, maar wel soepel – voor een woelig wentelende ondergrond zorgt. Natuurlijk is dit jazz, maar dan wel met een exotische inslag en wat absurde humor. Zeker wanneer de band in “More Dogs” (?) aan het blaffen slaat en Fredrikkson prompt het mondstuk van de bariton erbij steekt. Even is het zelfs wat carnavalesk, maar dan met een rollende bas/drums-groove, al wordt uiteindelijk een beetje verrassend afgesloten met een ballade en een baritonsax die rokerig en teder klinkt. En daarmee is ook Mopo een echte M&F band: speels, eclectisch, niet voor een gat te vangen.

Het Match&Fuse Festival heeft zich niet enkel tot doel gesteld om artiesten uit verschillende landen bij elkaar te brengen, maar ook om ze nu en dan iets nieuws te laten creëren, idealiter te zorgen voor die nieuwe ‘fuse’. Met de combinatie van het Hongaarse trio Jü en de Noorse saxofonist Kjetil Møster werd eigenlijk een kant-en-klare fuse in huis gehaald, want JÜ Meets Møster speelde intussen al herhaaldelijk samen en hebben er ook al een album op zitten (Rarenoise Records, 2014). En wie die plaat beluisterd had, die had z’n oordoppen meegenomen, want het kwartet haalt soms uit met de verzengende power van een woeste rock-‘n-rollband. Hongaren Àdàm Mészáros (gitaar), Ernö Hock (elektrische bas) and Andràs Halmos (drums) deden soms een beetje denken aan het Noorse powerjamtrio Bushman’s Revenge, en haalde uit met een frontale aanval tussen jazzrockgroove en daverende psychrock, waarover Møster bevlogen de tenorsax kon laten gieren en vloeien. Hier en daar deed het ook denken aan zijn eigen band Møster, maar dan met wat minder evidente progrocktics.

Het was alleszins een band die speelde met een behoorlijk straffe controle, de teugels durfde vieren, maar ten gepaste tijde ook in elkaar haakte met de strakheid van een goedgeoliede working band. Een tweede stuk was meer ingetogen, wat dromeriger, sloot nauwer aan bij het spacey werk van Elephant9 & Reine Fiske, maar al snel kreeg het ook iets vaan een raga, of een tribaal element dat voor een hypnose zorgde, terwijl Møster tekende voor de onvermijdelijke freak-out in de finale. Ook op baritonsax liet de man zich gelden. Het instrument werd haast een dronemachine die de groove aan het rollen bracht en waarbij Mészáros als een volleerde Nels Cline-adept met funky slag aan het gieren sloeg. Het volk was intussen wel wat uitgedund, maar de achterblijvers waren getuige van heftige dans die een vlammend punt achter de eerste dag zette.

Vrijdag 16 oktober

Vond de eerste festivaldag plaats in het hippe Dalston, een stukje Noord-Oost Londen dat de voorbije jaren zo goed als onbetaalbaar werd, dan verhuisde de karavaan op dag twee richting Shoreditch in het zuiden, wat dichter bij het centrum van de metropool. In de Rich Mix kreeg je het gevoel ineens in een rockclub beland te zijn, wat ook zijn gevolgen had voor sound en volume. Het loeide allemaal wat lomper en luider door de PA, al was dat wat sommige van de vier bands die avond ook nodig hadden. Zo ook voor het Britse beuktrio Snack Family, dat gekoppeld werd aan de Noorse zangeres Natali Abrahamsen Garner, voor de eerste nieuwe ‘fuse’ van het festival. Het trio trok ooit al onze aandacht door een omschrijving waarin ze beschreven werden als het liefdeskind van The Birthday Party, Captain Beefheart en Morphine. Een beetje kort door de bocht, maar EP Pokie Eye was wel de moeite.

De moddervette bluesrock van het trio werd zonder pardon de zaal in gepompt. Met die energieke shuffle-drums (Tom Greenhalgh), bronstige baritonsax (James Allsopp) en de grommende zang en baritongitaar van Grote Boze Wolf Andrew Plummer krijg je meteen de sfeer van een heuse juke joint, een plaats voor échte mannen en verwilderde vrouwen, waar het zweet van de dansende lichamen druipt en het bier enkel uit het flesje gedronken wordt. Een broeierige testosteronwereld, dus voelde het aanvankelijk wat vreemd om Abrahamsen Garner in die context te zien. Ze is meer het stille Noorse nimf-type, maar haar vocale bijdrage was best wel eigenzinnig, met ongemakkelijke huilklanken die een ritualistisch effect creëerden. Daarna trok Snack Family een hele tijd als trio van leer, met een smerige blues (hoogtepunt “Long Pig”) als ode aan David Cameron. En het was best wel goed. Het is muziek voor seks op verboden plaatsen, die het kale van The Stray Cats overhevelt naar een wereld van perverse voodoo, van songs die koppig denderen als treinen en hier en daar met een imposante geluidsmuur. De combinatie met de Noorse was niet altijd evident – misschien wel een match, niet altijd een echte fuse -, maar in een donkerder, meer ingetogen stuk, was het net haar bijdrage die de sinistere aantrekkingskracht bepaalde.

En dan: schuddebuiken met de Oostenrijkers van Attwenger, een duo dat intussen al een kwarteeuw aan de weg timmert, in die periode zowat een dozijn albums uitbracht en voortdurend het slappe koord tussen zin en onzin bewandelt. Drummer Markus Binder en accordeonist Hans-Peter Falkner bedienen zich allebei van elektronica en verkennen vervolgens het gebied tussen jolige folkpunk, de hoempapa van Schriebl & Hupperts, Casio-hiphop en kitschknipogen richting Eurovisie. Met die plastieken beats, mondharp en polka’s op speed loert het gevaar van de gimmick om de hoek, maar al snel werd duidelijk dat het deze kerels menens is, dat ze heel goed weten waarmee ze bezig zijn, ook al zorgen de gespeeld klungelige bindteksten van de per-ongeluk-in-Londen-gestrande-Oost-Europeanen-soort voor algemene hilariteit.

Gortdroge commentaren kunnen immers niet verbergen dat er een hechte formatie op het podium staat en dat Binder zich nu en dan ontpopt als het verre neefje van Nomeansno’s John Wright, met het vermogen om punk, funk, surf, soul, platte R&B en de Vogelkesdans in de blender te gooien. Er wordt gerefereerd aan Bill Withers, Binder klinkt soms als Joey Ramone die zich nasaal door “Surfin Bird” worstelt, de geluidsman zorgt vanachter het mengpaneel voor vocale harmonieën en aan het einde gaat Falkner zichzelf te buiten aan gierende accordeonfeedback (!), en dat moet voor ons, na zo’n kwarteeuw vrij frequent concertbezoek, een eerste keer geweest zijn. Het had soms iets van een uit de hand gelopen grap of een gegarandeerde hit voor foute MNM-feestjes, maar muzikaal zat het net iets te snugger in elkaar om meteen weggezet te worden als een one trick pony. Te consumeren met mate, maar plezant zolang het duurde.

Een band die uitgegroeid is tot een vaste waarde binnen de Match&Fuse-karavaan, en die we ook al zagen in Oslo, is het Franse kwintet Alfie Ryner, dat zijn genre omschrijft als “jazz trash”. Wie daarbij spontaan denkt aan rammelende garagerock met een toeterinstrument, kunnen we meteen geruststellen (of teleurstellen, wie weet). Dit is geen bende die z’n zaken niet op orde heeft of van de chaos z’n grootste troef gemaakt heeft, maar een goedgeoliede eenheid die messcherpe grootstadsjazz uit de mouwen schudt met een noir-achtige cool die van ver wat herinnert aan The Lounge Lizards en regelmatig uithaalt met een brede dynamiek en indrukwekkende instrumentbeheersing. Deze kerels kunnen in een handomdraai wisselen van stijl, in een vingerknip van ingetogen naar uitbundig schieten. En opnieuw klonken ze deze keer ook soms als een jazzorkest dat weggelopen leek uit een gangsterfilm.

Bepalend voor de band is altsaxofonist en ‘zanger’ Paco Serrano, die regelmatig een rant afsteekt met een furieuze intensiteit, maar samen met trombonist Guillaume Pique (ook verantwoordelijk voor wat elektronica) een hechte tandem vormt die regelt matig zorgt voor een slepende, haast doom-achtige onheilssfeer. Gitarist Gérald Gimenez hanteert dan weer een scherp snijdende stijl die hier en daar wat herinnert aan de no wave-school, maar ook een sleutelspeler kan zijn in de donkere, heftig pompende momenten aan het einde van de set, die ei zo na industrial-terrein betreden. De humor en het relativeringsvermogen is nooit veraf, zeker als Serrano als een bezetene op een scheidsrechtersfluitje zit te blazen, maar muzikaal is Alfie Ryer een ander beestje: gestileerd, donker en heimelijk. Prima band, die dringend eens naar onze contreien moet komen.

Het was eigenlijk best wel verrassend dat er niet meer volk opgedaagd was voor Get The Blessing. Die band heeft er intussen al een vijftal gelauwerde albums op zitten en is, geen onbelangrijk detail, opgebouwd rond de de ritmesectie van het grote Portishead. Bassist Jim Barr (die de bas soms inruilde voor een gitaar) en drummer Clive Deaver vormen gedurende al die tijd al een hechte eenheid met trompettist Pete Judge en saxofonist Jake McMurchie, twee kerels die zich gretig bedienen van een uitgebreid effectenarsenaal, om muziek te maken die even cerebraal als aanstekelijk is, even mysterieus als repetitief. En het blijft allemaal koel en gortdroog, met vier kerels die erbij staan alsof ze rechtstreeks na hun dagjobs als effectenmakelaars naar Shoreditch afgezakt waren.

Als je een definitie van jazz hanteert die vooral inspeelt op improvisatie en verrassing, dan ben jij bij deze kerels niet aan het juiste adres voor die jazz, maar de muziek werd wel gespeeld met een indrukwekkende souplesse, soms met een kloeke wall of sound, maar nog veel vaker met aandacht voor details, kleine geluidjes die binnen gesmokkeld werden en blazerspartijen die vanzelfsprekend rond elkaar gevlochten werden. Hier en daar deed een gitaarmotiefje van Barr wat denken aan Radiohead of werden de effecten breed uitgesmeerd, maar elders durfden de vier ook lang teren op minimale, roterende grooves die krautmotorik koppelden aan hypnotiserende energie. Een enkele keer klonk het ook wat funky of soulvol, maar nooit zonder in te boeten aan mysterie. En dat had Get The Blessing ook wel gemeen met Portishead: een verslavende, ongrijpbare klasse in een tussenvorm die mikte op het hoofd zonder de benen te vergeten. De nacht kon beginnen.

Zaterdag 17 oktober

Op de slotdag van Match&Fuse terug naar Dalston, waar het festival verderging op drie verschillende lokaties. Simultaan. En misschien wel te doen, of uitgelezen kost, voor wie graag gaat bandshoppen, want The Vortex en Servants Jazz Quarters liggen op een halve steenworp van elkaar, terwijl het amper vijf minuten stappen is tot Café Oto, dat de voorbije jaren uitgegroeid is tot een ronkende naam binnen de wereld van de avant-garde, van de free jazz en vrije impro tot noise, neofolk en meer. Maar proeven van een uitgebreid buffet, dat gaat ons eigenlijk niet zo goed af, dus we kozen ervoor om een avond rond te hangen in en rond Oto, met als afsluiter het Eirik Tofte Match&Fuse Orchestra, met muzikanten van de drie sites die zouden samenkomen op het plein aan The Vortex.

Het jonge duo The Jist (Natalie Sandtorv – zang en elektronica, Torgeir Hovden Standal – gitaar), leerden we net als het label Va Fongool, waarop hun titelloze debuutalbum verscheen, kennen via Eirik Tofte (1988-2013), de Noorse co-producer van Match&Fuse en een van de drijvende krachten achter het label en de Noorse scene. Op die plaat liet het duo horen dat er van opgroeien in het openbaar eigenlijk al geen sprake meer was. Het tweetal klonk avontuurlijk en zelfverzekerd, actief in een wereld die van ver best wel wat intimiderend is, maar net zo goed erg persoonlijk klonk. Het was uitkijken naar hun samenwerking met de Londense saxofoniste Rachel Musson, die zich de voorbije jaren ontpopt heeft tot een van de boeiendste creatieve stemmen in de scene.

Het was alleszins een samenwerking die steek hield, ook al was het resultaat soms erg abstract en behoorlijk extreem. De drie hadden van meet af aan een zwak voor ‘kleine’ geluidjes, met het geslik en gesmak van Sandtorv dat meteen bewerkt werd, een futuristische vibe meekreeg (die ook weerspiegeld werd in haar superheldenuniform); de tongue slapping van Musson en de schijnbaar onhandige speelstijl van de gitarist, die vaak ongedurig terplekke stond te verkrampen, terwijl de geluiden die hij produceerde in werkelijkheid amper het fluisterniveau overstijgden. Het werd meteen aan lange verkenning van zowat een half uur, die doorkruist werd met felle uitschieters op sax, met Sandtorv als kirrende, sissende en hijgende sirene, soms met momenten die deden denken aan digitale Nintendo-gekte, abrupte opduikende gitaarnoise en momenten van collectieve semichaos.

Geen evidente muziek dus en door al die ontregelingstactieken best een taaie hap, maar dit was wel een échte fuse, waarbij er op sommige momenten een staccato driehoeksverhouding ontstond en de focus van het muzikale gesprek steeds leek te verschuiven, met drone-elementen, half herkenbare radiogolven die leken op te duiken en een gitarist die klanken uit z’n gitaar leek te persen en heel even een akelig accurate imitatie van Mussons saxgeluid gaf (of andersom). Een korter tweede stuk begon even abstract, maar nog ingetogener, met Musson die een meer melodieuze koers leek te willen volgen, en een meer minimalistisch resultaat, maar toch ook weer een excentrieke piek waarna het even acclimatiseren was.

In de Project Space van Café Oto, iets verderop in de straat, vonden ook een paar concerten plaats, die dan wel overlapten met de andere in het Café. Zo eentje was dat van Laura Moody,

“a wildly alternative cellist, vocalist and avant-garde songwriter”, die wel wat volk op de been had gebracht, want het was drummen in de tot club omgebouwde schuur. En wat we van de set hoorden getuigde alleszins van een eigen geluid. Het nihilistische zeemanslied waarmee haar set van start ging bood meteen in een inkijk in haar eigenzinnige en theatrale wereld, waarin folk, griezelvertelling en grove keelexperimenten gelijke tred houden. Het was geen Julia Kent die we hier hoorden met weemoedige cellosongs. Het had eerder iets van een pastoraal exorcisme, waarbij ritmisch gehijg soms de stuwing bepaalde en de veelzijdige folkstem soms zelfs kon omslaan in donker gekraak en gegrom.

Dan terug naar het Café, voor een soloconcert van pianist Alexander Hawkins, die de voorbije jaren is uitgegroeid tot een van de meest bejubelde talenten van de Britse improvisatie. Als autodidact is hij erin geslaagd om een eigen zone af te bakenen, waarbij het soms duidelijk is wat zijn invloeden zijn (al gaan die van Cecil Taylor tot Art Tatum), en waarbij hij bokkige clusters en een omfloerste lyriek zonder aarzelen uitspeelt tegenover – of beter: door – elkaar. Of het nu gaat om grotere ensembles, met zijn trio, in duo met Louis Moholo-Moholo, bij Decoy of als begeleider bij Mulatu Astatke, meest van al is het nog die gulle bevlogenheid die centraal staat en nergens is die zo tastbaar als in een soloconcert.

En een soloconcert van Hawkins, dit is als meegesleept worden voor een rit waarvoor je best op tijd opstaat en de zintuigen scherp houdt, want zorgvuldig aangeraakte, gedemonteerde en vervolgens weer herhaalde thema’s worden naadloos gecombineerd met uitweidingen in oorden die qua densiteit en sfeer heel anders kunnen aanvoelen, soms met de onstuitbare joie de vivre van die krakende pre-bebopopnames of met de kwikzilveren snelheid van uitgeschreven turbopassages, maar net zo vaak met de exuberante grootmoedigheid van een recital of, net omgekeerd, een moment van soberheid waarbij de afgelijnde speelzone amper een vierkante tegel beslaat. Monk, Taylor, Byard, Tatum, flarden blues, stride, sentimentaliteit, deconstructie: ze zaten er allemaal in, dansend en elegant, gestroomlijnd en gejaagd en verhakkeld, terwijl die rechtervoet het sustainpedaal beroerde en de linker maar op een neer bleef wippen, op een snelle cadans die de stroom van zijn gedachten geweest moet zijn, die uitgerold werd via het tumult van twee handen die trippelden, raasden, haasje-over speelden en dolden als een stel jonge pups in een helse achtervolging door een woonkamer met teveel obstakels. En soms natuurlijk ook lyrisch zwellend, met vaagweg de zoete sentimentaliteit die soms ook tastbaar is in de samenwerking met Moholo-Moholo, en tegelijkertijd in een onstuitbare trance. Het is een uitdaging om te volgen, maar ook als je er niet helemaal greep op krijgt, en zelfs als je ervoor beroep moet doen op een resem kapotgebruikte metaforen, is zo’n soloperformance van Alexander Hawkins een belevenis van formaat.

Afsluiten gebeurde door de Britse artiest Leafcutter John (John Burton), die al sinds einde jaren negentig in de weer is met allerhande crossovers. Niet enkel qua gebruikte materialen, maar ook qua genres en sferen, en zijn actieradius beslaat dan ook de werelden van performance, elektronica, folk en interactieve geluidsinstallaties. Het kon dus alle kanten opgaan, en zeker in combinatie met de Zweedse Isabel Sörling, zelf ook bezig als stemkunstenares en componiste, zou het wel eens iets bijzonders kunnen opleveren. En dat was ook daadwerkelijk het geval, want het concert van de twee bewandelde paden die je bezwaarlijk toegankelijk kon noemen, maar sloeg blijkbaar wel aan bij het publiek, want een goed volgelopen Café Oto spitste collectief de oren bij deze eclectische, maar coherente, soms zelf organisch vloeiende performance.

Golvende en pulserende geluiden werden al snel uitgewisseld met stemmenwerk van Sörling, die zich aanvankelijk ingetogen opstelde, met iele keelgeluiden met een afstandelijke, Noorse sfeer, maar gaandeweg assertiever werd. Leafcutter John maakte gebruik van het traditionele knopjeswerk, maar creëerde ook muziek door beweging, en laveerde langs drone- en ambientoorden die opgesmukt werden met borrelende klanken en schrille stemklanken die ook hier herinnerden aan Björk. Soms werd het even zeer kaal en percussief, trad het ritme op de voorgrond, maakten beide artiesten gebruik van het op de tafels uitgestalde materiaal, ging het zelfs in de richting van de pure sound art, met gebruik van bestek en strijkstok en andere prullaria. Een onderbreking – door een technisch probleem? – haalde even de spanningsboog uit de set, waardoor het puddingeffect plots dreigde, maar de twee vonden elkaar opnieuw en belandden in een sinistere zone tussen Portisheads meest abstracte, elektronische momenten en dat “They’re back”-moment uit Poltergeist.

Als kers op de taart kwam er nog een korte performance van een dozijn muzikanten – vier stemmen, twee pianisten, gitaar, drums, etc – die door dirigent Dave Morecrofts handgebaren door een muzikale beweging geleid werden. Het stevende af op een draaiende wentelbeweging en onderweg een resem erupties, om met veel gelach te eindigen in een beukende finale. De live soundpainting in actie. Daarna begaf iedereen zich naar Gillett Square, waar het festival afgerond werd met een uitbundige jazzfanfare. Of toch bijna, want het feestje werd voor wie wilde nog even verder gezet in The Vortex.

De conclusie is dan ook dat de avontuurlijke spirit van Match&Fuse anno 2015 nog altijd springlevend is. We zagen er een zeer diverse verzameling artiesten van allerlei nationaliteiten en leeftijden, met meer en minder ervaring op het cv, uit de werelden van jazz, impro, elektronica, noise, folk, rock blues en groove, al leek datgene dat hen verbond vooral de afwezigheid van hokjesdenken te zijn. Veel van die bands zullen vermoedelijk nooit voor een groot publiek spelen, omdat ze te eigenzinnig zijn, of weinig gemeen hebben met wat dezer dagen in zwang is, maar als lef, gretigheid en branie doorslaggevende factoren zijn, dan was ook deze editie weer een succes en een knappe pluim op de hoed van organisator Dave Morecroft en zijn team.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + veertien =