Poulet aux Prunes

Er zijn veel zaken die een mens kan kiezen, maar
zijn achternaam hoort daar niet bij. Op dat vlak draait het – net
als bij je voornaam trouwens – gewoon om geluk. Zeker als je
grootse artistieke plannen hebt, is zo’n originele en lekker
bekkende achternaam als pakweg ‘Tarantino’ (houdt het midden tussen
Texaans en Italiaans), ‘Kafka’ (kan je zo vinnig uitspreken) of
‘Pawlowski’ (al komt het misschien ook door de coolness
waarmee die zijn naam draagt) mooi meegenomen. Aan grootse
artistieke plannen bij ondergetekende geen gebrek, maar met een
achternaam als ‘Ceulemans’ lijk ik nu eenmaal gedoemd om in de
(daarom niet minder eervolle, maar toch) ambten van hondenkapper of
loodgieter te rollen. Zeg nu zelf, dan ben ik als enola-redacteur
toch nog niet zo slecht terechtgekomen? Tot ik vandaag, in die
hoedanigheid, weer maar eens met de ongelooflijk benijdenswaardige
achternaam ‘Satrapi’ in aanraking kwam. Satrapi! Het is niet alleen
een upgrade van Kuifje’s favoriete krachtterm, het heeft ook
verdacht veel weg van een uit pure klankwellust ontstane poëziebrok
die niet had misstaan in James Joyce’s ‘Finnegans Wake’. Dus,
allemaal samen: Satrapi!

Maar bon, nu u al 183 woorden lang
Cut the crap, Ceulemans’ denkt: ter zake. Als cinefiel
kent u de Iraans-Franse Marjane Satrapi nog wel van de terecht
gekoesterde animatiefilm ‘Persepolis’, en als stripfanaat kent u
haar wel van haar gelauwerde stripalbums, waarvan datzelfde
‘Persepolis’ er ook eentje is. Een andere uitgave heet ‘Poulet aux
Prunes’, een album dat vier jaar na ‘Persepolis’ nu ook zijn weg
naar het witte doek vindt, zij het dan met acteurs van vlees en
bloed en sets die niet (enkel) uit Satrapi’s tweedimensionale
tekenpen ontsproten zijn. Spilfiguur is ditmaal Nasser-Ali Khan
(Mathieu Amalric), een vermaard violist uit Teheran, die na de dood
van zijn favoriete viool besluit om diens voorbeeld te volgen. De
methode is simpel: in bed liggen tot de Engel des Doods (Edouard
Baer) besluit hem komen te halen. Terwijl zijn vrouw (de na ‘Pulp
Fiction’ compleet vergeten Maria de Medeiros) probeert om hem door
middel van zijn lievelingsgerecht uit bed te krijgen, reist
Nasser-Ali terug naar zijn verleden, langsheen de dood van zijn
moeder (Isabella Rossellini), en vooral doorheen zijn gebroken
relatie met de Iraanse schone Irâne (Golshifteh Farahani, een naam
die ik dan weer niet meteen benijd).

‘Er was iemand, er was niemand.’ Zo begint ‘Poulet
aux Prunes’, en zo beginnen sprookjes in het Perzisch. Het is één
van de vele manieren waarop Satrapi en coregisseur Vincent
Paronnaud benadrukken dat het om een vertelsel gaat, ook al werd de
premisse dan geleverd door de dood van Satrapi’s oom. Satrapi houdt
er dan ook van om de grens tussen droom en werkelijkheid uit te
vegen, een eigenschap die ze ook in het nochtans historische en
autobiografische ‘Persepolis’ naar boven liet komen: soms was het
verdomd moeilijk om te vertellen waar de fantasie ophield en waar
de realiteit begon – puristische moslima’s werden dan ook bijna
voorgesteld als Duits-expressionistische heksen. In ‘Poulet aux
Prunes’ injecteert de tekenares-cineaste de plot met een dosis
magisch realisme van hetzelfde type als dat uit ‘Le Fabuleux Destin
d’Amélie Poulain’. Het resultaat is niet altijd van hetzelfde
niveau, maar kan al bij al meer dan bekoren.

Het schijnbare realisme van de film, dat ik voor
het gemak even zo noem aangezien de twee regisseurs voor het eerst
met echte acteurs werken, wordt dan ook voortdurend in vraag
gesteld. Niet alleen worden de echte scènes afgewisseld met
getekende passages in Satrapi’s stijl, de twee werelden lopen ook
gedurende de hele film in elkaar over. Soms gebeurt dat letterlijk
– de kadrering wordt dan gevormd door getekende bomen, waarbinnen
de scène zich dan afspeelt – maar de invloed van het bronmateriaal
laat zich vooral in minder ‘duidelijke’ aspecten voelen: de
personages, het acteren, het ensceneren, het vertellen.

Wat echter jammer is, is dat Satrapi en Paronnaud
niet over de ervaring of de visie beschikken om strip en film tot
één homogeen wondermiddel te mengen, en dat de twee media elkaar
even vaak lijken af te stoten als aan te trekken. Vooral op het
acteren laat dit zich merken en wordt het soms zelfs storend.
Naarmate de film vordert, lijkt hoofdrolspeler Mathieu Amalric
steeds meer in een (te) karikaturaal overacting weg te glijden.
Iets dat zich vooral tijdens ruzies met een roepende en tierende
(en laat dat nu niet de juiste activiteiten zijn voor haar hoog
stemmetje) Maria de Medeiros en in de wel erg vlak geacteerde
romance met Irâne laat voelen. Scherp in contrast daarmee staat de
menselijke prestatie van Isabella Rossellini, of de rol van Jamel
Debbouze, die met zijn theatraliteit wegkomt omdat zijn
personage(s) boven de plot staan.

Qua enscenering scoort ‘Poulet aux Prunes’ dan weer
een stuk hoger. De keuze om de personages te volgen in close-ups
van hun voeten, levert niet alleen esthetisch mooie beelden op, het
lijkt ook een metafoor voor de psychologische reis die Nasser-Ali
maakt alvorens het hoekje om te gaan. Satrapi blijft echter op haar
best in animatiesequenties: de nogal groteske en gemakkelijk
geënsceneerde dialoog tussen Azraël en Nasser-Ali komt nog niet tot
aan de enkels van de geanimeerde anekdote die de Engel des Doods
dan vertelt. In andere scènes – ik denk aan de toekomstscène met
het blije Amerikaanse ‘modelgezinnetje’ – verplaatst Satrapi de
tweedimensionaliteit van haar tekeningen op zo’n overdreven wijze
naar de lichamen van echte personen, dat het resultaat een klucht
wordt.

Maar, voor alle duidelijkheid, het is niet enkel
kommer en kwel: hoewel ‘Poulet aux Prunes’ nooit aan het hoge
niveau van ‘Persepolis’ komt, is het uiteindelijke resultaat
behoorlijk charmant – in welke mate het uiterst schattige zoontje
van Nasser-Ali daar verantwoordelijk voor is, moet u zelf maar
uitzoeken. Alleen jammer dat Satrapi’s eigenzinnige mayonaise niet
pakt – haar naam zou nochtans mooi genoeg zijn om de mix te
benoemen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − twaalf =