Les Géants

Laat me even (voor de zoveelste maal) mijn gal
spuwen en u één ding duidelijk maken over de filmdistributie: die
is niet eerlijk. Zeg dat ik het gezegd heb. In een rechtvaardige
wereld zouden er immers geen subsidies worden toegekend aan een
flutscenario als dat van ‘Code 37’, laat staan dat er een
vergiftigende massahysterie zou rond worden gecreëerd, maar zouden
de mensen dringen om te gaan kijken naar ‘The Artist’. Als het
culturele equivalent van Vrouwe Justitia de plak zou zwaaien in de
bioscopen, zou een filmonwaardig monster als ‘The Smurfs’ geen
veertien vervloekte weken in de zalen blijven, en zou een
bescheiden kunstwerkje als ‘Beginners’ niet na één week worden
weggestoken in obscure zaaltjes waar de film alleen op onmenselijk
late uren vertoond wordt. En in een juiste wereld zou de schoonheid
van een kleine film als ‘Les Géants’ minstens evenveel aandacht
krijgen als de computertechnieken die Steven Spielberg gebruikt om
onze nationale stripheld op het witte doek te brengen. Nogmaals:
zeg dat ik het gezegd heb.

Helaas: de intellectuele luiheid van een publiek
dat blijkbaar 9,50 euro geeft aan films als ‘Johnny English
Reborn’, en de drang naar een stevige omzet bij het gros van de
bioscoopuitbaters zorgen ervoor dat u al even zal moeten zoeken om
nog een vertoning van ‘Les Géants’ mee te pikken. En dan hebt u nog
geluk dat u niet in de Ardennen woont, want als we
regisseur-scenarist Bouli Lanners (‘Eldorado’) mogen geloven, valt
daar nu eens echt geen zak te beleven. Slachtoffer van dat totale
gebrek aan opwinding zijn de vijftienjarige Seth (Martin Nissen) en
zijn jongere broer Zak (Zacharie Chasseriaud): tijdens de
zomervakantie worden zij door hun in het buitenland werkende ouders
gedropt in het leegstaande huis van hun overleden grootvader, dat
zich bevindt in een streek waar het zoeken is naar menselijke
aanwezigheid en waar de horizon wordt gemarkeerd door oneindige
maïsvelden. Samen met hun nieuwe lotgenoot Danny (Paul Bartel)
slepen zij zich doorheen de dag, terwijl ze hun geld opdoen bij de
plaatselijke wietdealer, schietoefeningen houden op eenden en eten
pikken uit de kelder van hun buurman. Wanneer hun geld opraakt,
verhuren ze het huis aan een cannabisteler, en zijn ze volledig op
zichzelf aangewezen: let the coming of age
begin.

Geruggensteund door de bijzonder mooie soundtrack
van Bram Vanparys, alias The Bony King of Nowhere, maakt regisseur
Bouli Lanners van het uitzichtloze bestaan van zijn drie
protagonisten een heus stukje poëzie. Van bij de eerste noten van
de film – ‘No Love Lost’ van Joy Division, of ‘hoe tover ik vanaf
minuut één een glimlach op het gezicht van een enola-redacteur?’ –
mengt Lanners de doodse leegte van het puberbestaan met beelden die
je zo zou willen inkaderen. Ergens een beetje beïnvloed door het
Italiaanse neorealisme (het begrip ‘temps mort-moment’
heruitgevonden), maar evenzeer geïnspireerd door laat
negentiende-eeuwse schilderijen van Franse impressionisten (het
gebruik van belichting), is ‘Les Géants’ een prent geworden die qua
schoonheid alvast rijkelijk bedeeld is.

Waar de Waalse regisseur ditmaal zo goed in slaagt,
is om doorheen de ietwat cynische, zelfs fatalistische toon van de
plot – het saaie en miserabele leven dat Seth, Zak en Danny leiden,
lijkt onontkoombaar – toch voldoende poëzie te vinden om de kijker
een aangenaam, zelfs ontroerend gevoel te geven. Komt daar nog even
bij dat Lanners volgens mij de drie beste puberale non-acteurs van
het land heeft gevonden om gestalte te geven aan de drie jongeren
die doelloos door de Ardennen dwalen. Het is al moeilijk genoeg om
op een realistische en overtuigende manier te laten zien dat je
niets aan het doen bent, maar – en dat is nog een pak moeilijker –
Nissen, Chasseriaud en Bartel slagen er bovendien ook in om in
eenzelfde conversatie over rode pepers en masturberen te praten
zonder dat de situatie gênant wordt. Dan weet je dat je met talent
te maken hebt.

Natuurlijk is ‘Les Géants’ niet meteen de meest
toegankelijke film; het tempo ligt bijzonder laag, er zijn een hoop
scènes waarin er totaal niets gebeurt, en van een gestructureerde
plot kan je ook niet spreken: de film begint ergens in medias
res,
gaat dan niet echt ergens naartoe, en eindigt dan ook
heel open. De plot van ‘Les Géants’ is eigenlijk één lang rustpunt,
waarin Lanners nu en dan eens iets laat gebeuren – Danny, Seth en
Zak breken binnen in een huis, of maken ruzie nadat hun
overnachting letterlijk in het water valt – maar een echte
verhaalontwikkeling vindt er nauwelijks plaats. Maar begrijp me
niet verkeerd: de rust die ‘Les Géants’ uitstraalt, en die door
Lanners uitstekend wordt gevat in lange shots en een zelden
bewegende camera, is net wat de film zo heerlijk eigenzinnig maakt,
zonder doelbewust arty of moeilijk over te willen
komen.

Het enige wat een beetje jammer is, is dat het
allemaal net iets te afstandelijk blijft om je echt omver te
blazen, en dat een echte emotionele impact uitblijft. Maar ook al
blijft ‘Les Géants uiteindelijk op drieënhalf steken, Bouli
Lanners’ nieuwste film verheft zich moeiteloos boven negentig
procent van wat er momenteel in een bioscoop near you
speelt en solliciteert naar een plaats in de eindejaarslijstjes.
Met andere woorden, om het begrip ‘rechtvaardigheid’ toch een
beetje in leven te houden: laat Veerle Baetens links liggen en
haast u naar zo’n kleine, gezellige bioscoop waar ‘Les Géants’ wel
op de affiche staat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 4 =