De Rouille et d’Os

Hoera, hoezee, jochei! Het is weer zover: het jaarlijkse Filmfestival van Cannes is van start gegaan. Hoewel commercie de afgelopen jaren een steeds groter deel van het Festival is gaan uitmaken (in 2011 opende de film met de vierde ‘Pirates of the Caribbean’, dit jaar komt Sacha Baron Cohen er uitvoerig ‘The Dictator’ promoten), blijft het filmfestival garant staan voor een hoop kwalitatieve cinema: vorig jaar alleen al gingen ‘Drive’, ‘La Piel Que Habito’, ‘Melancholia’, ‘The Artist’ en ‘Le Gamin au Vélo’ in première aan de Croisette. Dit jaar belooft niet te moeten onderdoen: de komende twee weken stellen grote namen als John Hillcoat, Andrew Dominik en Matteo Garrone er hun nieuwe films voor. Wij hopen alleszins dat het een even sterke editie wordt als in 2009, toen er drie totaal verschillende, maar onvervalste toppers werden losgelaten: Gouden Palmwinnaar ‘Das Weiße Band’ van Michael Haneke, Grand Prixwinnaar ‘Un Prophète’ van Jacques Audiard, en Quentin Tarantino’s ‘Inglourious Basterds’. Als die laatste zijn nieuwe film ‘Django Unchained’ niet pas in december uitbracht, had de wedstrijd dit jaar opnieuw tussen die drie cineasten kunnen gaan. Haneke brengt immers ‘Amour’ uit, en Audiard kwam ‘De Rouille et d’Os’ voorstellen.

In de vaderlandse kranten heeft die film al veel inkt doen vloeien, omdat de hoofdrol op naam staat van de favoriete inheemse acteur van menig Vlaams cinemaliefhebber. Matthias Schoenaerts vertolkt de rol van Ali, een Belgische bokser die aan lager wal is geraakt en samen met zijn zoontje Sam bij zijn zus (Corinne Masiero) intrekt, aan de Franse Middellandse Zeekust. In de hoedanigheid van nachtclubuitsmijter ontmoet hij Stéphanie (Marion Cotillard), een orkatrainster. Nadat zij bij een werkongeval haar beide benen verliest, groeit ze steeds meer naar Ali toe. De bokser heeft haast niets meer te verliezen, hoewel hij zijn geld vooral verdient met louche zaakjes, zoals het onwettelijk plaatsen van beveiligingscamera’s en clandestiene gevechten in plaats van met gewone jobs. Een hoop problemen dus, die voor een climax en, als het even kan, de gepaste loutering moeten zorgen.

Als je die samenvatting zo ziet staan, heeft de film een hoge Dardennefactor – een figuur uit de marginaliteit als hoofdpersonage – die gecombineerd wordt met het soort vechtersmentaliteit waar ze aan de andere kant van de plas helemaal wild van worden. Match made in heaven, zou je zo denken, ware het niet dat het in ‘De Rouille et d’Os’ eerder een mix met een ietwat wrange nasmaak wordt. De klemtoon ligt net iets te nadrukkelijk op de mentale kracht waarmee de personages (uiteindelijk) terugvechten tegen hun problemen, en dat resulteert soms in een behoorlijke dosis klef sentiment, iets wat een regisseur als Jacques Audiard niet echt goed afgaat; de harde, cynische, fatalistische toon die ‘Un Prophète’ kenmerkte, ligt hem duidelijk beter.

Het helpt dan ook niet dat Audiard stilistisch gezien heel veel aandacht naar de plot trekt. In het gros van de scènes komt die typische harde stijl van veel Europese cineasten naar boven: lichtjes schokkerige schoudercamerashots om de personages te volgen, afgewisseld met (in dit geval niet zo heel) lang aangehouden statische shots om de toon van de scènes te zetten. Net zoals in ‘Un Prophète’ moet die stijl af en toe plaats ruimen voor montagesequenties waarbij de muziek de dialogen en achtergrondgeluiden overstemt, en waarbij technische trucjes als slow motion en point of view-shots worden bovengehaald. In ‘Un Prophète’ leverde dat een bevreemdende, maar vooral zeer mooie, magisch-realistische sfeer op; in ‘De Rouille et d’Os’ werken die montagesequenties echter zelden – de montage had overigens in de hele film wat meer snedigheid kunnen gebruiken – en vervalt de toon van de film vooral dan in ongepaste sentimentaliteit.

Wat we Audiard dan wel weer moeten nageven is dat de plot, hoewel die enkele mankementjes vertoont (Stéphanie heeft maar één enkele scène van een minuut of drie nodig om over haar handicapcomplex heen te raken), bijzonder vakkundig wordt verteld. Hij heeft 120 minuten nodig om zijn verhaal te vertellen; dat zijn er zeker niet te weinig, maar, wat belangrijker is, ook niet te veel. Al bij al is er niet zo ongelooflijk veel veranderd tussen de eerste en de laatste minuut, maar Audiard weet het tempo er voortdurend in te houden en zijn film verveelt dan ook nooit. Dat de vertelling de gebreken van de plot enigszins weet te maskeren, maakt het dan wel extra jammer dat de plotgerichte stijl van de film wel de aandacht naar het veel te middelmatige verhaal trekt.

Naast de plot wordt er vanzelfsprekend ook veel nadruk gelegd op de personages, en dat heeft Audiard goed bekeken: zowel Schoenaerts als Cotillard zetten mooie figuren neer, die eigenlijk een beter uitgewerkt levensverhaal verdienen. Schoenaerts’ prestatie is net zoals in ‘Rundskop’ weer heel fysiek van aard: zijn personage is een bokser, wat zich uit in een stevige carrure, en de ietwat plompe buik die Schoenaerts liet aandikken illustreert de marginaliteit waarin Ali is verzeild geraakt. Hoewel dat sterk fysieke aspect hem zeker ligt – zie hem kopstoten uitdelen aan autostoelen ter voorbereiding van een gevecht! – toont de Antwerpenaar echter ook dat hij op een behoorlijk subtiele manier aan emoties uiting kan geven. De kwaliteit van de eindscène waarin Ali een telefoongesprek voert met Stéphanie, mag Schoenaerts volledig op zijn conto schrijven. We durven daar zelfs echt enthousiast over te doen: als hij zo blijft verder doen, mag onze nationale acteertrots zich binnenkort officieel een Groot Acteur noemen.

Cotillard staat zowel qua schermtijd als qua personage een beetje in zijn schaduw, maar zet desalniettemin een sterke (zij het met momenten een tikkeltje routineuze) prestatie neer. Gelukkig weet zij met de rol van Stéphanie meer aan te vangen dan het scenario eigenlijk te bieden heeft, en in scènes als die in het ziekenhuis, wanneer ze uit haar coma ontwaakt, toont ze dat ze toch tot de betere actrices van deze generatie behoort. Een leuke bijrol is tenslotte nog weggelegd voor Bouli Lanners – ook een landgenoot, merkt de chauvinist in ons, en vooral in de nationale pers, op – u allen bekend als regisseur van ‘Eldorado’ en ‘Les Géants’.

Dat alles stelt ons in staat om de eindbalans nog net positief te houden, maar het is altijd ongelooflijk jammer om vast te stellen als een van de meest veelbelovende films van het Filmfestival van Cannes toch blijkt tegen te vallen, en als een van de prominentste namen het laat afweten. Er zit veel talent in ‘De Rouille et d’Os’, en dat weet de film ook uit te ademen, maar de keuzes die Audiard maakt, blijken veelal een zwaard dat aan twee kanten snijdt. Benieuwd wat Haneke hier met ‘Amour’ tegenover gaat stellen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 2 =