The Guard

I grew up in Dublin. I love Dublin. If I grew
up on a farm, and was retarded, Bruges might impress me, but I
didn’t, so it doesn’t.’
Zo sprak Colin Farrell in ‘In Bruges’,
de al bij al behoorlijk gesmaakte debuutfilm van de Ierse regisseur
Martin McDonagh. De woorden zouden in plaats van op Brugge even
goed van toepassing kunnen zijn op Galway, een stadje aan de Ierse
westkust. Connemara, de rijkelijk van steile kliffen, dorre heuvels
en grazende schapen voorziene streek die eromheen ligt en waar de
bevolkingsdichtheid lager is dan de mathematische kans dat de Rode
Duivels zich voor het EK 2012 zullen kwalificeren, vormt de setting
voor ‘The Guard’, de eerste langspeelfilm van John Michael McDonagh
– de jongere broer van de ‘In Bruges’-regisseur, die bovendien een
gelijkaardige liefde blijkt te hebben voor zwartkomische
misdaadverhalen, schunnige humor en een hoofdrol voor Brendan
Gleeson.

Die speelt Gerry Boyle, een Ierse ‘guard’ (spreek
bij voorkeur uit als ‘gèrt’ of iets dergelijks) die zich vooral
bezig houdt met het tegen de schenen schoppen van zijn baas, het
neerkijken op grootstedelijke collega’s, het terloops
experimenteren met in beslag genomen drugs, het verwend worden door
prostituees en het bezoeken van zijn oude, zieke moeder (Fionnula
Flanagan). Aanvankelijk is hij not amused wanneer blijkt
dat drie drugshandelaars (Liam Cunningham, Mark Strong en David
Wilmot) naar Connemara zijn afgezakt om van daaruit een portie
cocaïne met een straatwaarde van een half miljard dollar naar
Europa te sturen. Enerzijds omdat hem dat geen bal interesseert,
anderzijds omdat het betekent dat hij orders moet aannemen van de
zwarte FBI-officier Wendell Everett (Don Cheadle). Wanneer blijkt
dat hij de enige niet-gecorrumpeerde guard van de dienst is, en hij
de knappe echtgenote van een vermoorde collega wil helpen, begint
hij aan een kruistocht tegen de drie drugbarons.

In films als deze, waarvan de regisseur intrinsiek
gerelateerd is aan een andere regisseur, wordt het bijna
onvermijdelijk om een vergelijkende studie van de twee te maken, en
je hoeft nu niet meteen lang te zoeken naar gelijkenissen. Net
zoals zijn broer biedt John Michael McDonagh een aantal licht van
de pot gerukte situaties, personages met een hoek af, een scheut
zwarte humor en dergelijke meer. ‘The Guard’ zit soms dus in
hetzelfde vaarwater als ‘In Bruges’, maar gaat daarenboven ook
stevig te leen bij de inhoudskenmerken van de vroege Tarantino
(denk maar aan’Reservoir Dogs’en in iets mindere mate ‘Pulp
Fiction’): grote titels, filosoferende gangsters, een paar (in dit
geval al te gratuite) filmreferenties en een bewust campy
look om de B-filmadoratie wat in de verf te zetten.

Maar net zoals ‘In Bruges’ een schamel doorslagje
was van een Coenfilm (er schuilde enkele licht existentiële
vraagstukken in ‘In Bruges’, geïnspireerd op een toneelstuk van
Harold Pinter), word je tijdens het bekijken van ‘The Guard’
bovenal bevangen door het gevoel dat McDonagh enkel een flauw
afkooksel van een Tarantino grand cru zit te kijken. Daar zijn
verschillende redenen voor: als je drie gangsters in een auto laat
mijmeren over Nietzsche, zorg je immers wel voor een duidelijke
referentie naar de godsdiscussies uit ‘Pulp Fiction’, maar als je
ze voor de rest voorstelt als oppervlakkige, simpele gangsters of
psychopaten, lopen je personages verloren. Waar een
Nietzschefascinatie het karakter van een drugdealer behoorlijk
onvoorspelbaar zou kunnen maken, wijkt McDonagh toch nooit van de
platgereden paden af – en dat kan tegensteken in een film die toch
behoorlijk plotgericht is.

Ook een beetje zielig om te zien is de al te
gemakkelijke manier waarop McDonagh probeert om de karikaturen te
doorprikken. De scènes waarin Boyle zijn zieke moeder verzorgt zijn
immers heel mooi – misschien wel de beste uit de hele film, mede
dankzij de ingetogenheid van Fionnula Flanagan – maar de balans met
de zuipende en hoerenlopende flik is vaak zoek, waardoor het
allemaal overkomt als een gemakzuchtige manier om zijn personage
toch maar een extra laag mee te geven. Verder doet Brendan Gleeson
aardig zijn best, maar cool zal hij nooit worden: hij moet
het vooral van zijn komisch vermogen hebben, maar zijn personage is
te karikaturaal om onverwacht grappig of gevat uit de hoek te
kunnen komen. Bovendien is de humor die McDonagh voorziet ook niet
meteen hoogstaand te noemen en blijft die teveel steken op een
puberaal ‘gniffel, gniffel’-niveau. Of zou u quotes als
Something’s up, and it’s not just my pecker!’ met de term
‘fijnzinnig’ durven bestempelen?

Nu niet dat het allemaal erbarmelijk is, maar
meeslepend of hip – en dat lijken ons toch de twee doelen die
McDonagh voorop stelt – wordt het nooit. Met momenten voel je
echter wel dat er onder de karikaturale laag van ‘The Guard’ een
spoor van uitdieping schuilgaat. De in de toneelwereld geplande
wortels van de regisseur-scenarist zitten daar ongetwijfeld voor
iets tussen: je moet niet al te veel verbeelding hebben om in het
achtergestelde jongetje met de hond een weerspiegeling te zien van
het koor in een Griekse tragedie, dat zo nu en dan de plot een
zetje geeft. Het is wat jammer dat er niet meer van dat soort
personages en dubbele bodems in de film zitten, want ze tillen de
plot echt wel naar een hoger niveau – net zoals het aan een
toneelstuk ontleende dilemma van ‘In Bruges’ een film maakte die
toch ietsje meer was dan twee vloekende gangsters in a fuckin’
fairytale city.

Na het zien van ‘The Guard’ kan je echter niets
anders dan besluiten dat John Michael McDonagh in zijn debuutfilm
te veel hooi op zijn vork neemt: enerzijds wil hij een
onderhoudende actieprent geven, anderzijds een aaneenschakeling van
zogenaamd hippe verwijzingen, gecombineerd met een op theaterregels
gestoelde plot die tegelijk weinig meer ambieert dan de status van
een veredelde B-film. Tel daar dan nog even bij dat de
cameravoering te conventioneel is om het niveau op te krikken, dat
Don Cheadle een rolletje krijgt dat grijzer is dan de Ierse hemel,
en dat de karikaturale tekening de frisheid van de plot voortdurend
onderuit tackelt, en je krijgt een film die tussen een hoop
ambities heen en weer loopt, maar daarbij vooral stevig op zijn
gezicht gaat. Bummer, mate.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + acht =