DOUR 2011 :: Een pandamuts is maar een kleine moeite

Dag Twee: Campy perverten

Ingeslapen met beats, wakker geworden met het geluid van soundchecks, en dan: eindelijk zon! Dour ruikt en voelt op Dag Twee meteen helemaal anders. We wrijven de slaap uit onze ogen en warmen ons op aan de eerste bands van de dag.

Deftig op Dour
Wie meer Dour wil, klikt voor de langere verslagen van de tien beste concerten hieronder.

Met Hoquets (foto) krijgen we meteen verknipte ochtendgym voorgeschoteld. Het Belgisch-Frans-Amerikaanse trio bouwde zichzelf een arsenaal aan instrumenten en noemde hun album Belgotronics in een knipoog naar inspiratiebron Congotronics. Waar dat in resulteert: een energiebom. Frontman McCloud — in een weinig flatterend grijs marcelleke — holt zich de benen van onder het lijf en ratelt een eind weg. Met zijn wat hoge stemgeluid doet de erg percussieve muziek regelmatig even denken aan wat tUnE-yArDs presteert, maar ook echo’s uit R&B en hiphop zijn niet ver weg. Ergens betwijfelen we of het op plaat standhoudt, maar zo in een halflege Dance Hall bleek het een wonderlijk efficiënte opwarmer van de dag. We zijn wakker, en maar goed ook, want we gaan gelijk even doen alsof het al middernacht voorbij is.

We gaan dansen, namelijk. Twee gasten achter laptops, een batterij vreemde elektronische toestellen en een halve hooligan op synthesizers: meer is er immers niet nodig om The Chemical Brothers van de troon te stoten. The Japanese Popstars doet het schijnbaar moeiteloos, en dan nog wel om half drie ‘s middags. We willen eigenlijk niet weten wat het zou geven moest de band twaalf uur later op de affiche staan. Nu al glijden gladde eighties klanken moeiteloos in een mallemolen van smerige, rauwe beats, waarbij het publiek op een rollercoaster van climax naar climax genomen wordt. Het trio kan echter nog meer dan zomaar wat beats en blieps serveren: “Song For Lisa” klinkt zowaar sensueel en een opgedreven “Joshua”, met Tom Smith — vandaag samplegewijs — op vocals toont dat hits voor The Japanese Popstars niet uit te sluiten zijn. Maandag de nieuwe plaat in huis halen, zoveel is zeker.

Yup, dit lijkt een fijne dag te zullen worden, tot een pretbederver opduikt. Dananananaykroyd noemt zichzelf de grondlegger van fight-pop, een van de meest vage genres die op het web circuleren. Toegegeven, we stelden ons — net als hun generatiegenoten — een bende hippe twintigers voor met eightiessynths en opzwepende gitaarlijnen. Geen enkele synth te bespeuren echter, integendeel: het Britse zestal doet een aardige poging om de grenzen van de popmuziek te doorbreken. Een enorme gitaarmuur gaat in de clinch met het geschreeuw van de twee frontzangers, terwijl stevige drumpartijen in het gitaargeweld verdrinken. Punkpop voor kinderen; gegokt en verloren.

Nog zo’n gok: Two Gallants. Bijna vier jaar geleden verscheen de laatste titelloze plaat van het duo uit San Francisco, waarna de band van de radar verdween. Maar wat een fijn weerzien! Gitaargetokkel als een klaterend beekje (“Steady Rollin’”) of fijne nieuwe twists geven aan publiekslievelingen (“Despite What You’ve Been Told”): Two Gallants lijkt duidelijk het podium gemist te hebben en speelt alsof het nog steeds dat bandje is dat een publiek moet zien te verdienen. Wat deels ook klopt: Two Gallants heeft een vierde plaat in de pijplijn zitten en wat daaruit gebracht wordt, lijkt het beste te beloven. Als het grimmig broertje van Band Of Horses laat Two Gallants een nummer horen dat, wie weet, “Lovely Day To Die” heet en waar Adam Stephens zichzelf vocaal tot het uiterste perst. Veelbelovend? Absoluut!

Dat Frankrijk al jaren koning is op gebied van electropop kan niemand ontkennen. Met Phoenix, Daft Punk en M83 in het achterhoofd is het zelfs een openbaring om Fransozen zónder synthesizers te ontdekken. Jamaïca — neen, geen reggae/dancehall — ging vroeger door het leven als Poney Poney en was ooit nog de elektronische hoop van hun vaderland. Intussen heeft de band de helft van zijn instrumenten overboord gegooid en schijnbaar ‘s vaders blues en rock-‘n-rollcollectie ontdekt. Heerlijk hoe de grauwe bluesriffs en The Rolling Stones-melodieën afwisselen met de overdreven reverb in “I Think I Like U 2”, de zomerhit die Studio Brussel over het hoofd heeft gezien. Simpele gitaarpop, maar klassevol.

Bibio brengt in De Balzaal ondertussen een ‘electronic set’ die minder op de dansspieren mikt dan op het heupwiegen. Met een mix van hiphopbeats, R&B en elektronica bouwt hij een bezwerend setje, dat helaas al eens een left turn te veel neemt, net als het goed begint te worden. Dan krijgen we plots verknipte disco, of haalt hij The Avalanches’ “Since I Left You” door de mangel. Niettemin: een aangenaam vertoeven in deze bloedhete tent.

Waarom zijn we dan in godsnaam weggegaan om toch nog een stuk Papa Roach te zien? En waarom heb je nog een podium nodig, als je voor elk fucking bandlid nog eens een extra verhoog eist? Was het niet hoog genoeg? Het uitzicht niet mooi genoeg? Jaja, deze nu-metaltrots was, met andere woorden, opnieuw zijn potsierlijke zelf: protserige bindteksten van Jacoby Shaddix hoe hij zich hier al thuis voelde, vermoeide gitaarriffjes, en veel, véél pose. Honestly, was dit echt ooit een headliner op Pukkelpop? Blij dat die tijd ver achter ons ligt.

Waarna Das Pop opnieuw heel hard Das Pop mag zijn in de Club Circuit Marquee: dat brengt met twee woorden sprekende pop met vage elektronische toets, pseudo-Britse tongue-in-cheek, en een algehele lichtheid die bijna ondraaglijk is. Hoe dan ook, Das Pop is goed in het Das Pop zijn, en was een overtuigende Das Pop. U genoot. U ving de grote dobbelstenen en ging uit uw dak op hitjes “Never Get Enough” en “The Game”. U deed dat goed.

Opnieuw dansen dan maar. We hebben onze bedenkingen bij dj’s die als livemuzikant genoteerd staan, maar het moet gezegd: respect voor muzikale genieën als Totally Enormous Extinct Dinosaurs (foto), controlefreaks die de meest complexe songs in elkaar knutselen. Moeiteloos voegen ze tribale percussie, dub en elektronica samen zonder één seconde te vervelen, met “Trouble”, de meest efficiënte floor filler van het moment, torenhoog op kop. Toch een minpunt: de vierdubbele echo waarmee de dj — inclusief dinosauruspak — zijn gebrek aan zangtalent wegmoffelt. We willen Totally Enormous Extinct Dinosaurs vooral bedanken voor die schaarsgeklede danseressen die ons met hun slangenlichaam in extase brachten. Een feestje in een als een stripclub ogende tent? Meer van dat!

De zon die zijn gouden stralen door de tentopeningen gooit, een band op het podium die uitpakt met toeters, bellen, blazers en megafoons: alle voortekenen lijken er op te wijzen dat The Dø de avond feestelijk op gang zal trekken. De Parijzenaars komen het tweede album Both Ways Open Jaws voorstellen, maar dat loopt echter niet van een leien dakje. De mix van jazz, samba, pop en wave zit weliswaar vernuftig in elkaar, maar is jammer genoeg niet in staat een uur lang te boeien. Waar Olivia Merilahti de volgelopen Club Circuit Marquee uit haar hand laat eten, is ze ons halverwege de set kwijt. Een clubconcert in het najaar om een en ander recht te zetten?

Berichtje voor alle festivalprogrammatoren van België: gelieve Mogwai nooit ofte nimmer meer op een Main Stage bij daglicht te programmeren. Dat wérkt namelijk niet. Een pratend publiek herleidt de rustige nummers — en dat zijn er vandaag heel wat — immers tot aangenaam kabbelende achtergrondmuziek en haalt alle scherpte uit de beleving. Nu maakt de groep het zich op die Last Arena ook niet echt gemakkelijk door hoofdzakelijk werk uit het nieuwe Hardcore Wil Never Die, But You Will te brengen. Die nieuwe nummers, die meer steunen op een makkelijke melodie en het minder van woeste crescendo’s of hevige uitbarstingen moeten hebben, komen vandaag wat vlak over, en het is pas laat, héél laat, met een voorzichtig aangezet, maar gaandeweg ontploffend “Mogwai Fear Satan” dat er eindelijk wat pit in de set komt. Even lijken de Schotten daarmee genoegen te nemen, maar dan krijgen we toch een dot slagroom op deze wat flauwe taart: een virulent, verschroeiend “Glasgow Mega Snake” — één en al in het rood gaande gitaren die er telkens nóg een streepje bij zetten — veegt dan tóch de weide voor het podium leeg en laat Dour een stukje dover achter. Op de valreep toch een overwinning op punten.

Met tegenzin vissen we een oude hype uit de put der vergetelheid. Uit angst voor een déjà vu. U kent Klaxons en het bijhorende potsierlijke genre new rave ongetwijfeld nog wel. Drugs was hun grootste handelsmerk, en met uit de hand gelopen feestjes en extravagante kledij waren ze verantwoordelijk voor de wederopstanding van de raveteef. Terwijl iedereen een ravage verwacht, spelen de Britten verbazingwekkend op veilig. Niet enkel de verboden middelen zijn schijnbaar thuis gebleven, ook de aanwezigheid van kinderopvang Keira Knightley, die sinds kort de lakens deelt met toetsenist James Righton, dringt blijkbaar door tot het viertal.

Valse zangpartijen zijn ingeruild voor loepzuivere klanken, gitaarriffs kunnen we eindelijk écht strakke riffs noemen, en we kunnen zelfs ongegeneerd dansen zonder onze neus te breken in een moshpit. “Magic”, “Atlantis To Interzone” en “It’s Not Over Yet” moeten niet langer worden geassocieerd met afgrijselijke rave. Klaxons weet eindelijk hoe ze chaotische pop en rave moeten combineren zónder brokken te maken. We hebben ons vergist, en dat geven we grif toe.

U dacht dat er op Dag Twee geen plaats voor nostalgie was? Pulp (foto) zorgt vandaag voor de duik in het verleden. En vanaf de eerste seconde van opener “Do You Remember The First Time?” is het hek van de dam. Jarvis Cocker neemt, nadat het publiek met even sullige als geinige op doek geprojecteerde boodschappen — Hoe ironisch! Hoe postmodern! — opgezweept is, het podium in alsof er nooit een hiaat geweest is in het bestaan van de band. Als een losgeslagen verzekeringsmakelaar — die zowaar de Iggy Pop in zichzelf vrij spel geeft bovenop enkele boxen — ontpopt Cocker zich als de campy pervert die een goed uur zijn zin mag doen met het publiek. En dat vervolgens ook doet. Dour wordt geleerd hoe te kreunen tijdens “Pink Glove”, “I Spy” krijgt een sinister jasje én wordt door Cocker in de praktijk gebracht en ook “This Is Hardcore” draagt bij aan een ietwat creepy atmosfeer.

Al blijft het natuurlijk allemaal behoorlijk camp: dat wordt meer dan onderstreept met de geweldige kitsch van “Disco 2000”, waarmee Pulp – succesvol — de strijd aangaat met de beats die van de andere podia aangewaaid komen. Maar hoe hilarisch Pulp bij momenten ook is, de kwaliteit van het concert staat niet ter twijfel. Als deze passage één ding bewijst, dan is het dat Pulp een collectie tijdloze nummers in huis heeft die respect afdwingen. Meer heeft een mens niet nodig om tevreden de tweede Dournacht in te gaan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =