Dour 2016 :: Rock Music, en hoe er opnieuw verliefd op te worden

Hoezo geen enola op Dour? Natuurlijk wel, we stonden alleen even in de file. Grapje. Geen nood: we zijn er nu, en we blijven tot het gaatje. Dour 2016 blaakt van gezondheid, al staat de affiche omgekeerd in verhouding met het stralende zonweer. We hebben ons desondanks toch geamuseerd, en werden door een stel vijftigers zelfs weer verliefd op rock-‘n-roll.

So here we are. Dour heeft het de laatste jaren verdomd moeilijk om de beste indienamen richting de Borinage te lokken, maar zet dan maar in op hiphop en elektronica. Dat is jammer voor de bleke jongens die wij zijn, maar gelukkig hebben we nog altijd de gebronsde god (mba) die donderdag alvast een paar uur het terrein ging verkennen. Het volstond voor zijn voorlopige festivalhoogtepunt van 2016: de exquise doortocht van de Amerikaanse droompoppers Rhye.

Het mysterieuze duo tourt niet vaak en heeft amper één album achter zijn naam staan, maar veegt alle vooroordelen tegen dit festival — ultiem oord van verderf, verschaald bier, benevelde bakvissen, abominabele klank en vulgariteit — van de kaart met een optreden dat voormalig bondscoach Robert Waseige als “zo fris als een konijn op de plein” zou samenvatten. Geen idee waarom dat ons nu plots door het hoofd schiet, maar nu we toch bezig zijn: hebben we eigenlijk al een nieuwe nationale trainer?

Multi-instrumentalist Robin Hannibal en een keur muzikanten brengen de minimale, elektronische nummers van op dat inmiddels drie jaar oude Woman helemaal tot leven met twee violen, een schuiftrompet, een klassiek orgeltje, bas en drums. Al vormt de stem van zanger Michael Milosh de grootste troef. “The Fall” wordt wat weggemoffeld in de set, alsof de band nu ook zelf tot de vaststelling is gekomen dat het nummer wel erg goed lijkt op “La Ritournelle” van Sébastien Tellier. Ander prijsbeest “Open” krijgt wel een heerlijk uitgesponnen versie mee. Er volgt ook één nieuw lied, dat het beste doet vermoeden voor album twee, dat er later dit jaar nog zou moeten aankomen. Rhye legt de lat meteen hoog. Torenhoog. Wie gaat hier de komende dagen nog boven?

Zaterdag

Wel, laten we eens kijken. We spoelen door naar zaterdag, en zien (mvs) en (lh) het terrein rond La Plaine de la Machine à Feu opsloffen. Het is kreunen onder een loden hitte, maar by Jove, we zullen ons niet laten kennen. Installeer u, want vanaf nu houden we up de hoogte van elke beweging die we zien.

Voor (lh) voelt Dour een beetje als thuiskomen aan, en geen betere band dan Moaning Cities die dat gevoel kan versterken. In 2014 waren deze Brusselaars een ontdekking — dank U daarvoor, Dour — maar vandaag overheerst een vervelend déjà-vugevoel wanneer de sitar, scheurende gitaren en donderende drums door Le Labo klinken. Moaning Cities blijft trouw aan zijn psychedelische rock-‘n-roll, maar het nieuwe is eraf. Spek naar de bek voor wie The Doors, The Black Angels en Velvet Underground genegen is. Allerminst origineel, maar wel meeslepend, en dus blijft de tent behoorlijk vol ondanks de hitte.

Beweging? Massaal armwuiven, telt dat ook? Woodie Smalls is het soort hiphopper, straight outta hood, die dat uitlokt. En dat die wijk in kwestie dan Sint-Niklaas, Waasland is, maakt niets uit. Als er een Hoboken, New Jersey kan zijn, dan is Sinneklaai ook maar gewoon een voorstad van L.A.. We willen maar zeggen: Woodie Smalls doet het wel heel erg op zijn Amerikaans. Goed Amerikaans, dat wel.

Droge, diepe bassen knallen uit de boxen alsof Kanye West het genre de laatste tien jaar niet met een fikse portie muzikaliteit heeft verrijkt. Woodie Smalls brengt hiphop, pur et dur: ratelende raps, rollende breaks, veel opgewonden gedoe op het podium. Alweer: strakke beats, straffe raps, toffe opwinding. “Fuck Donald Trump” doet hij ons ergens onderweg collectief uitstoten. Alsof “Fuck Bart Dewever” niet accurater is, vanop Linkeroever gezien. Ach, jeugdzonden, overdreven braggadocio, het weze hem vergeven. De jonge Woodie ademt hiphop, geeft terug waar hij al die jaren mee is opgegroeid. En zo klinken hits “Champion Sound” of “About The Dutch” als iets dat net zo goed van over de Grote Plas had kunnen komen. U danst mee, brult, zwaait de armen heen en weer, en laat u maar al te graag opnaaien met een “one-two-three-four” om nog wat heviger te gaan. Game, set and match: deze Smalls kan een Large worden, zo blijkt uit alles. Wordt België dan eindelijk cool?

De verrassing van vandaag is het Zweeds-Amerikaanse maar in het hippe Londen residerende FEWS. Liet nochtans geen onvergetelijke indruk na op Eurosonic eerder dit jaar, maar is nu een stuk overtuigender, en vooral strakker. Moet wel het gevolg zijn van veelvuldig touren. Horen we aanvankelijk veel raakvlakken met DIIV en consorten, dan blijkt FEWS ook live een groeiband en de opzwepende postpunk komt steeds sneller binnen. Het volk in de tent dikt gevoelig aan en daar is de band zelf ook aangenaam door verrast. Het viertal beloont het publiek met nog meer energie. Vooral hun zanger is een ADHD’er en een krachtig wapen voor de band, zo blijkt in single “The Zoo”. Een verschroeiende afsluiter die nog maar eens het potentieel van deze band bewijst, volgt. Zet FEWS nog eens in een zaaltje in het najaar en ze laten een vernietigende indruk na. Jam-mie!

Jaren geleden eens gezien op een festival in San Sebastian: Odezenne. Duidelijk een ander bandje geworden ondertussen. De zangeres die toen Nancy Sinatras “Bang Bang” mocht brengen, en verder weinig ter zake deed, is vriendelijk aan de deur gezet: de focus ligt nu volledig op wat frontmannen Alix Cailla en Jacques Cormary doen. Te weten: vloeiende Franse raps spuien, en dansen op een aanstekelijke elektronische soundtrack.

Rààr bandje, maar het gaat erin als zoete koek. “Je veux te baiser, tu veux me baiser”, klinkt het, u antwoordt door met minstens acht opblaaspoppen én een opblaasschaap (serieus, we wilden uw voorkeuren echt niet weten) te wuiven. Het is dan ook opzwepende elektronica: de beats kletteren, de flow zit goed, en Cailla en Cormary weten hoe ze een podium moeten innemen. Plezant? Bahja. Meer? Dat nu ook weer niet.

De prijs voor oorveeg van de dag gaat echter naar Destruction Unit, dat vorig jaar indruk maakte met Negative Feedback Resistor en een verpulverende show in Magasin 4. Rolling Stone noemde dit stelletje kwajongens uit Arizona een van de spannendste live acts van het moment, en daar zit veel waarheid in: van begin tot einde zoeken de Amerikanen de grenzen van de uithouding op. Trommelvliezen pijnigen is één ding, blijven boeien een ander, en ook dat kan Destruction Unit. Eén van de hoogtepunten is ongetwijfeld “Chemical Reaction/Chemical Delight” dat tegelijk hardcore en geen hardcore is. Hoog, erg hoog tempo, en gitaren die loodzwaar klinken, maar ook een geluidstrip met een zekere groove. Met doomy riffs, een portie psychedelische invloeden, kwade vocalen, veel feedback en een haast eindeloze drumsolo op het einde van de set slagen Ryan Rousseau en co erin het publiek uit te dagen. Daarvoor zijn we tenslotte naar Dour gekomen, nietwaar?

De Standaardjournaliste in ons — ze is ook part-time fashionblogster — moet ondertussen even kwijt dat die catsuit met v-hals tot aan de navel en uitpuilende buik King Khan beeldig staat. Halfweg zijn set met The Shrines gaat de koning zelfs helemaal stijlvol met een kort broekje en passende cape. Muziek? Moet dat tegenwoordig óók al als je een festival verslaat? Vooruit dan maar. Wat dit garagerockicoon brengt is stilstand tot kunstvorm verheven. King Khan houdt al jaren stug vast aan een retrorockgeluid dat zo uit de sixties geteleporteerd kon komen: rockabilly, blazers, hell, zelfs een classic ballad kan er even van af. Krijgt hij meteen een opblaaspop –- die dingen zijn vandaag overal –- toegeworpen. Hij is een man van de wereld, en vangt ze vloeiend op, terwijl hij verder beft, euh zingt. Ambiance, maar niet heus.

Noteer: te weinig optreden is iets, maar te veel touren is ook niet gezond voor een band. Hoeveel keer is Protomartyr al niet in Europa gepasseerd? Na Botanique, Sonic City en Het Bos (en we zijn wellicht haltes vergeten) moet nu ook Dour overstag gaan. De aanwezige festivalgangers, waarvan een groot deel duidelijk voor de band gekomen is, gaan bij momenten enthousiast uit hun dak. De nummers uit het vorig jaar alom geprezen The Agent Intellect worden echter minder enthousiast gebracht. “Cowards Starve” komt niet aan als een mokerslag, zoals toen we de band de eerste keer aan het werk zagen.

“The Devil In His Youth”, met een oh zo The Cure-achtige baslijn, en “Why Does It Shake” blijven best imposante songs, maar we missen bezieling. Zo overheerst de hele show een dubbel gevoel: alles wordt op automatische piloot gebracht. Niet dat de band anders een zeer levendige indruk geeft, maar toch: zelfs de charismatische zanger Joe Casey geeft een uitgebluste indruk. Diens bariton, die doet denken aan Ian Curtis, Mark E. Smith en Nick Cave tezamen, hebben we al krachtiger gehoord. Volgende keer toch iets frisser graag.

En nog zo’n band die op het podium van Le Labo staat te pronken met een plaat die al meer dan een jaar oud is: The Soft Moon. Vinden we niet erg, want in tegenstelling tot Protomartyr is de band rond Luis Vasquez een goed geoliede machine die altijd indruk (lees: je de stuipen op het lijf jagen) wil maken. “Black” is de ideale binnenkomer van een alweer overdonderende set. Dat nummer gaat niet alleen terug naar rauwe new wave van Front 242 en The Sisters Of Mercy, ook de industrial van pakweg Ministry of KMFDM is niet ver weg. De ideale samenvatting van het vorig jaar verschenen Deeper.

Naast het opgefokte sfeertje overheerst de hele show ook een heerlijk claustrofobisch gevoel, dankzij een drummer wiens pompende beat nogal aan Duitse techno doet denken. Ook “Try”, “Wasting” en “Feel” passeren de revue in wat je een modern new wave-feestje zou kunnen noemen, naast oudere nummers die meer naar scheurende postpunk neigen. The Soft Moon was, met andere woorden, weer een mokerslag. Na de homerun van The Soft Moon kan (lh) alleen maar besluiten: de new wavers en postpunkers zijn de grote winnaars van dag drie. Op naar Sigur Rós!

En frankly: (mvs) is de tel kwijt geraakt, maar het moet sinds die Werchter in 2001 ondertussen om en bij de zestiende keer zijn geweest dat hij Sigur Rós heeft gezien. Stompt dat een mens af, of was de passage van het IJslandse drietal op Dour echt niet de beste? Prachtig stagedesign, nochtans, met die bewegende schermen, lichtgevende stellages en sfeervolle projecties, maar een bassoep rijdt “Oveður” de vernieling in, en het helpt deze duistere opener niet dat het daglicht nog even nagloeit.

Ook een intiem “Starálfur” vecht met een geluidsmixer die er met zijn hoofd niet bij is — oververmoeid, meneer, horen we later — en wanneer drummer Orri Páll Dýrason “Saeglópur” hard doet openbarsten, is weerbarstige vervorming zelfs even het enige wat we horen. Jammer, want dit begin mag er anders zijn, met ook nog een “Glósóli” dat de vlakte even héél stil krijgt. Gek wel hoe hard Sigur Rós plots een klassieke rockband lijkt, nu hij sinds het vertrek van toetsenist Kjartan Sveinsson is uitgedund tot trio, maar toch het gevoel van de oude dagen weet vast te houden. “Vaka” is alweer zo’n verstild nummer –- niet meer dan zo’n etherische zanglijn van Jonsí Birgisson en wat minimale begeleiding -– dat de wei in een houdgreep krijgt.

Sterk begin dus, ondanks die ingedommelde geluidsman. Jammer dat het na een heftig “Ný Batterí” snel bergafwaarts gaat. Een greep albumtracks als “E-Bow” en “Festival” doezelen het publiek eerder in slaap, “Yfirborð”, met zijn dansritmes, is een rommeltje dat zelfs voortijdig wordt afgebroken. Het vraagt een ruw “Kveikur”, met zijn shoegazegitaar en doorhamerende drums, om iedereen opnieuw bij de les te krijgen, maar dan is het alweer bijna gedaan. Nog even de drumstok op de basgitaar voor dat rare ritme in “Hafsól” en dan is het alweer tijd voor “Popplagið”. Nog steeds de afsluiter, maar het kan ook niet anders: probeer dit epische, ongenadig opbouwende nummer voor het eindelijk breekt, halverwege de set voor te stellen. Gaat niet.

En het hoeft ook niet. Ook vanavond is het plots het moment dat alles weer klikt. De geluidsproblemen zijn opgelost of achteraan de PA niet meer hoorbaar, het is ondertussen donker, en Sigur Rós is opnieuw even overrompelend, zestiende keer of niet. Zelfs al blijkt de volgende plaat een stinker, dan nog kan een zeventiende keer er wel bij. Wij zwaaien u in afwachten uit tot morgen, want de pintjes in de Bar du Petit Bois zijn naar verluidt eindelijk koud. Tot morgen!


Zondag

Zondag. Laatste dag van Dour, aftellen naar Pixies. We besluiten ons vandaag min of meer aan de Canibal Stage te nestelen. En daar wordt een stevig ontbijt geserveerd.

Zeggen dat dat hoge gepiep van Aurélie Poppins licht verteerbaar is, zou de waarheid immers geweld aandoen op een manier waarvan zelfs een Russische hooligan zegt: “zo kan ie wel weer”. En toch zorgt het samen met de lappen lawaai van het trio achter haar voor opwinding. Cocaine Piss is nog geen beetje opzwepend, al duurt het toch nog vijf songs — de volle tien minuten — vooraleer de Luikse frontvrouw het publiek induikt en daar de boel gaat opzwepen. Maar dan staan we ook even neus-aan-neus met haar, terwijl ze krijst, gilt, tiert. Het meest beangstigend blijkt ze echter wanneer ze de microfoon in de mond duwt en een diepe grom produceert. En dan weer zo schattig lachen, dertig seconden later, als het nummer alweer voorbij is.

Zeventien minuten ver in de set zijn de songs op. Even lijkt Poppins vermist, en ook bij de band — nog steeds op het podium — heerst enige verwarring, maar dan duikt ze toch weer op. Een reprise, al even visceraal. Ze huppelt koket over het podium, zijgt neer op haar knieën, laat zich voor dood vallen. Einde, na nauwelijks twintig minuten. Punk zoals het moet zijn. Ons hart gestolen? Beetje, maar we zijn bang voor wat we ons daarmee op de hals halen.

Andere vibe in de Jupiler Dance Hall, waar Teme Tan aanvankelijk niet meer dan een handjevol mensen weet te lokken. Het is nochtans aardig wakker worden — voor wie dat na daarnet nog niet was — met de zwoele exotica van Tanguy Haesevoets en kompanen. Mooi meegenomen dat het sinds enkele dagen dan toch eindelijk zomer is en ook in deze tent een loden hitte hangt. We wiegen onze heupen voorzichtig op “Matiti”, zingen “nananana” mee met “Amethys” en laten ons ontbijt van calamares en bier smaken. Gezellig!

Dat Dour een erg matige affiche heeft, wreekt zich, en resulteert vervolgens in een paar uur doelloos zoeken naar verlichting. Ho99o9 blijkt helemaal niets met Death Grips te maken te hebben, zoals iemand vooraf in ons oor toeterde. Daarvoor mist dit drietal iets te veel muzikale inventiviteit, en leunt het enkel op de woeste kreten van het duo duracelkonijnen vooraan. Goeie drummer hoor, maar misschien toch maar eens een vierde man zoeken die voor wat melodie, of gewoon maar een minimum aan muzikaliteit kan zorgen.

Komt een man na een half uur aanschuiven bij de bonnetjesstand waar je met bankkaart kunt betalen, gaat het rolluik dicht. “Sorry, we hebben geen dranktickets meer.” Geen excuus, geen oplossing. Trap het af. Oh Dour, mon amateuristisch amour. Een tent vol aan de Cannibal Stage heeft het geweten, want daar heerst zo te zien ook een grote bierschaarste,en laat het net dat zijn waar een mens bij Together Pangaea nood aan heeft: goudgeel vocht met een zeker alcoholpercentage.

Thuis worden wij nog steeds regelmatig om de oren geslagen met verhalen over de Danteske taferelen die dit viertal ooit uitlokten op Best Kept Secret; hier in Wallonië lijken de razende en razend simpele songs van Together Pangaea wat minder in te slaan. U en uw nieuwe Waalse vrienden houden het op een goedmoedig meehobbelen. Van pandemonium is geen sprake, en wat ons betreft is dat de juiste genuanceerde reactie. Snedige, catchy songs wisselen af met meer generisch materiaal, maar origineel is het allemaal niet. Goeie songtitel anders wel, dat “Too Drunk To Come”. Spreken ongetwijfeld uit ervaring, deze hotemetoten.

Prachtig staaltje DIY: na het tweede nummer loopt frontman Ben Schemie rustig naar achteren om de luchtpomp aan te zetten zodat de opblaasletters “Suuns” kunnen spellen. Dat is dan duidelijk. Hermetische set, anders, voor dit moment van de dag, met zijn in zichzelf gekeerde motoriekritmes, dat spelen met monotonie en herhaling en gemompelde vocalen. Het doet bij momenten denken aan een lethargische Flaming Lips, maar waar die van hun drugtrips — hoe obscuur ook — uitbundige feestjes maken, kruipt deze band in een bolletje en probeert van daaruit door te seinen hoe het voelt. Moeilijk, moeilijk, moeilijk. Even pauze houden om bij te komen? Even pauze houden.

Een mens wil immers fris zijn voor Pixies straks. The Subways zijn dan de ideale opwarmer, maar wat schrijft een mens na voor de tiende keer hetzelfde concert van deze band te hebben gezien? Dat er nog altijd zwaar op het tien jaar oude debuut Young For Eternity wordt geleund, zelfs al is de dertig ondertussen stevig in zicht? Maakt het ook veel uit als een mens nog altijd blij kan worden van “Mary” of “Rock ‘n Roll Queen”? Billy Lunn kan een song schrijven, één, en dat hij daar dan variaties op blijft schrijven? Ach, wij worden nog altijd een beetje blij van dit groepje, al was het maar om bassiste Charlotte Cooper nog maar eens een nieuw glitterjurkje te zien showen.

Mooi ook hoe Lunn drummende broer Josh Morgan (familiekwestietje, die namen) er avond na avond zwaar kan doorhalen, zonder dat het tot Gallagherachtige tantrums leidt. “Here’s to another decade”, toast de frontman nadat hij het publiek, Morgan en ex-liefje Cooper voor de voorbije jaren heeft bedankt. Schoon, een groep die zo aan elkaar hangt. We wensen ze die volgende tien jaar van harte toe, net als een tweede song. En dat we verder klaar zijn voor het moment suprême. Het werd begot tijd.

Het begint niet goed. Helemaal niet. Frank Black ziet er met zijn deftig jasje en zware bril uit als uw vader, en zo gezapig als die kan zijn, klinkt het openingssalvo van Pixies. “Gouge Away” sloft, “Dead” sjokt, “Magdalena 318” slentert. “Neen. Neen. Neen”, kreunt ons hoofd. Waar is de gekte? Kan dit niet luider? En die Paz Lenchantin, moet die nu echt bij elke tussenkomst naar de frontman kijken met een bange blik van “Is het goed zo, Frank? Mag ik nog steeds blijven?” Maar de bassiste beseft dan ook wat voor grote schoenen ze moet vullen; niemand is Kim Deal, behalve Kim Deal.

Een klein half uur worden we zo aan ons lot overgelaten, tot Pixies in “Bone Machine” dan toch wakker wordt, en zijn schade begint in te halen. Song na song schakelt de groep een tandje bij. “Isla De Encanta” is punk op een Spaans drafje, waarbij we eindelijk die aan de waanzin grenzende schreeuw van Black krijgen. Ook Lenchantin laat voor het eerst goed van zich horen met puike backings. Wat volgt is een spervuur hitjes en publieksfavorieten, van “Wave Of Mutilation” tot het door drummer David Lovering gezongen “La La Love You”, dat opnieuw dik dertig minuten in beslag neemt. Het is gitarist Joey Santiago die zich in dat blokje het hardst laat opmerken: hij staat daar onweerstaanbaar cool de gekste riffs en licks uit zijn snaren te halen, desnoods door met een handdoek of een drumstok zijn snaren te bewerken. Uiteindelijk zal hij de elektrische plug gewoon uit zijn instrument trekken om de spanning als percussie te gebruiken.

Straks, in het najaar, is er een nieuwe plaat — de tweede al sinds het vertrek van Deal — maar daar vallen Pixies ons niet al te hard mee lastig. Vier nieuwe songs krijgen we slechts te horen. “Classic Masher” klinkt in dat openingshalfuur bijna als een gewoon liedje: niet meteen wat we verwachten. Titelsong “Head Carrier” is ook Pixies-by-numbers. Maar dan komt “Um Chagga Lagga”, en dat luidt hier een finale eindspurt in die schreeuwt “Pixies is terug, en wat gaat U daar tegen doen, misschien?”

Black en Lenchantin laten de single, die de geboorte van dat nieuwe album aankondigt, eindeloos doldraaien, om uiteindelijk in een verpletterend “Rock Music” over te gaan. Black krijst zoals hij al veel te lang niet meer heeft gedaan, Santiago geselt zijn gitaar, Lovering en Lenchantin klikken als een machine in elkaar: daverend en stampend. En dan blijken de nieuwe Pixies een vat energie van de oude te hebben opgegraven. “Baal’s Back” — nog een nieuwe — pikt naadloos in waar het monster vooraf eindigde: in een waas van geschreeuw, beukende drums en hysterische gitaren. Wat volgt — “Tame”, “Caribou”, een massaal meegebruld “Debaser” — is niet meer dan het ererondje. Pixies is niet zomaar terug; hier stond een band die diep in zijn vijftiger jaren iets wilde bewijzen en daar misschien wel in geslaagd is. Dat een reünie niet hopeloos hoeft te zijn, bijvoorbeeld, als je er maar zin in hebt. Dat een Paz best een Kim kan zijn, dat ook. En vooral: dat rockmuziek nog steeds verdomd opwindend kan zijn. Dat ze het bij Dour maar goed onthouden voor de komende jaren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =