DOUR 2011 :: Een pandamuts is maar een kleine moeite

Dag Drie: De zwijnenstal

Het was een wilde nacht, daar in Le Bar dans la Fôret, het gezelligste hoekje van Dour; mensen werden met Justin Bieber verward, barkrukken begaven het en fotograaf Jokko beet in het zand. Geen wonder dat Dag Drie dus een beetje wazig begint.

 

Deftig op Dour
Wie meer Dour wil, klikt voor de langere verslagen van de tien beste concerten hieronder.

 

 

Het mag, vandaag. Het zal immers nog wel even duren vooraleer de echt interessante namen zullen aantreden. We wachten immers op I Am X, en vooral: Suede. Zal Brett Anderson de prestatie van Pulp vanavond doen verbleken of niet? Afwachten, aftellen, en aperitieven met Kaf*k, dat deze druilerige zaterdag in de Club Circuit Marquee op gang mag trappen. De band komt uit Henegouwen en probeert van daaruit sinds 2004 de wereld te veroveren. Welke offensieven daartoe in het verleden werden ondernomen, is niet geheel duidelijk, maar de aanpak van vandaag is helaas niet de meest geslaagde. Songs als “Pretty Face” en “Young Guests” klinken verre van onaardig, maar de naar Sons And Daughters neigende poppy grunge van Kaf*k heeft niet de kracht om het publiek wakker te maken. Naar de drankstand voor een koffie dan maar.

 

Dour heeft een reputatie op gebied van drugs, maar wees gerust: we zijn na drie dagen nog steeds niet over een zak coke gestruikeld. Terwijl de liefhebbers in hun tent bekomen van die ene dosis te veel, gaan wij naarstig op zoek naar een band die langer dan drie nummers kan boeien. En wie zoekt, die vindt: best beangstigend hoe dicht het stemgeluid van El National Quarterback‘s frontman aanleunt bij dat van Death Cab For Cutie. Niet verwonderlijk dus dat vooral die indieband het geluid van de Luikenaars binnensluipt. Sluw als ze zijn, stelen ze ongegeneerd Death Cab’s songstructuur en schakelen ze meteen drie versnellingen hoger. Niet de meest originele indierock, maar wél beklijvend genoeg om Team goddeau uit zijn roes te helpen.

“Do you know how to skank? Start skanking!” The Selecter (foto) mag dat, zulke dingen zeggen. Daarvoor hebben ze genoeg betekend voor de heropleving van de dans begin jaren tachtig, toen ze met album Too Much Pressure mee aan de wieg van de 2-Tone stonden. En hoewel het genre ondertussen wat belegen kan aanvoelen, en vaandeldrager Madness al lang potsierlijk is geworden, houden deze pioniers het vuur meer dan levend. Hits als “Celebrate The Bullet” houden het publiek in beweging; u skankt alsof het nog steeds 1980 is. En waar Jarvis Cocker ons gisteren de belangrijke les leerde “always play the one people are waiting for last”, is The Selecter bereid tot een efforke. Met nog maar tien minuten over, wordt de rest van de setlist geschrapt en meteen naar “On My Radio” gegaan. De echte apotheose is echter voorbehouden voor een langgerekt “Too Much Pressure” dat het feestje tot een hoogtepunt stuwt. Van vroeg dansen, krijgt een mens energie. Wij zijn wakker nu.

Dus willen we nog dansen! Op de tonen van The Amplifetes bijvoorbeeld. De Zweden kruisen Devendra Banhart met Hot Chip en dat is wat we nodig hebben om op de been te blijven. Al duurt het even voor The Amplifetes op gang komen, het lijkt alsof de band besmet is met de vermoeidheid van het publiek. De spacy geluiden die voortgebracht worden, klinken zeer aanstekelijk, maar het duurt een poos voor de lichtsnelheid bereikt wordt. Wanneer het dan toch gebeurt, vanaf halve hit “Whizz Kid”, is het feestje vertrokken. Echo’s van de oer-Daft Punk, het onderwatergevoel van Washed Out, The Amplifetes gaan breed, maar overtuigen. Dag drie komt eindelijk op kruissnelheid.

Het is pas op deze dag dat we de eerste verse hype aanschouwen. Cloud Control wordt het succes van Mumford & Sons toegewenst en in één adem met (even slikken) Fleetwood Mac, The Beach Boys en, meer recent, Local Natives genoemd. Het is vanzelfsprekend dat die vergelijking, ondanks hun goddelijke zangharmonieën, enkele bruggen te ver is. Vampire Weekend meets folk? Op plaat misschien wel, live krijgt Alister Wright geen zuivere riffs meer uit zijn gitaar. Huppelend als een jong veulen zoekt hij wanhopig de hoeken van het podium op, terwijl vooral het publiek met een twintigtal ballonnen het vuur aan de lont tracht te steken. Het wérkt gewoon niet. Aanstekelijk, noch dansbaar; herkansing in de Botanique binnen twee maanden.

In thuisland Groot-Brittannië wordt Ghostpoet (foto) de nieuwe Mike Skinner genoemd. Dat lijkt niet helemaal juist, maar ‘s mans mix van elektronica, hiphop en grauwe grootstadverhalen liggen zeker geen lichtjaren verwijderd van wat The Streets doen. Gilles Peterson is alvast fan, en ook Magic Sound Systemprogrammator Lefto vond de Brits-Nigeriaanse-Dominicaanse Obaro Ejimiwe een stekje waard in zijn line-up. Terecht, de man heeft een volstrekt unieke stijl waarin dubstep, funk, elektronica en soul elkaar vinden.

Het verschil met andere hiphopartiesten is dat Ejimiwe zijn raps niet naar de voorgrond duwt, maar relaxed achterover leunt in zijn muziek, als in “Gaasp” dat drijft op een mooie, dansbare pianolijn. Dat werkt helaas wat minder wanneer die muzikale zetel wat minder gemakkelijk zit. Dan houdt het gebrek aan flow Ghostpoet niet recht en dreigt lamlendige gezapigheid. In de opgedreven afsluiter “Cash And Carry Me Home” klikt alles plots wél en krijgen we een gefocuste rap over een geweldig stuiterend ritme. Dan houden die vergelijkingen met Skinner plots wel steek. Ejimiwe bedankt voor de zoveelste keer, drukt ons alweer op het hart dat we het beste publiek ooit zijn en dat hij hier volgend jaar opnieuw wil staan, en wij vinden: nice chap, die Ghostpoet.

De grootste uitdaging vandaag op Dour? Reggae ontlopen. Dat kan op twee manieren: zware gitaren opzoeken of afzakken naar oorden waar dansbare stuff ten beste gebracht wordt. Aangezien ons maagdenbloed nog niet geleverd is, kiezen we voorlopig voor de laatste optie en belanden alzo bij Architecture In Helsinki. De indiepoppers uit Australië brachten eerder dit jaar met Moment Bends een vierde plaat uit. Hoewel dat album een beetje kwakkelt, zorgt Architecture In Helsinki live voor een meer overtuigende aanpak. “W.O.W.” flirt geen klein beetje met droompop, tijdens “Escapee” wordt de oude The Cure in herinnering gebracht en London Beats “I’ve Been Thinking About You” krijgt een aanstekelijk, hedendaags jasje aangemeten. Wie zijn 80’s popmoment wou, kreeg het hier in nagenoeg perfecte vorm voorgeschoteld.

Van dit prettige dansmoment gaat het naar een feestje dat er geen is. Zelden zoveel contrast gezien als in La Petite Maison dans la Prairie waar de afropop van Fool’s Gold moet opboksen tegen de regengoden. Op papier een zuivere overwinning voor de energieke gitaarriedels, in werkelijkheid is de aanvalsstrategie van de regen een pak imposanter. De hele set lang fungeert de Afrikaanse riff van zomerhit “Surprise Hotel” als rode draad doorheen de set. De korte stroomstoten doen verlangen naar meer, maar zelfs een single als “Nadine” weet geen enkele seconde te overtuigen. Conclusie: de magie van “Surprise Hotel” is uitgewerkt. Lichtpunt: de vogeltjesdans van een enthousiaste festivalganger die dan toch een glimlach op ons gezicht tovert.

Militante hiphop nu, en wel van Saul Williams. De motormouth doet het met twee percussionisten, slaat voor alle zekerheid ook zelf voortdurend op een houten handtrommel en vuurt ondertussen zijn spitse raps af. Het is een potige aanpak, maar dat werkt wel; Williams’ set is een ritmisch plezier voor het oor. Een “List Of Demands” hamert door, en ook “Explain My Heart” is hevig. Een trip om hevig op te dansen of je door te laten bezweren.

Nog wat hiphop dan maar, maar dan op slaperige beats. Het blijft immers een moeilijke combinatie, die 13 & God, ofte The Notwists & Themselves. De indie-hiphop-supergroep tekent voor een grillig, bijna hermetisch concert dat tussen saai en geniaal weg en weer slingert. Het ene ogenblik word je ondergedompeld in wondermooie, melancholische, gebroken beats, om luttele minuten later cliché hiphop schnipschnop over je heen te krijgen. Leuk, maar niet sterk genoeg om een vol uur te boeien. Misschien volgende keer toch afzonderlijke passages van beide bands?

Waarna de hemelsluizen open gaan en de hel losbarst. En we bedoelen écht: de hel. We staken onze vuisten in de lucht, schreeuwden uit volle borst de meest belachelijke anthems mee, en vertoefden een uur lang in de modder. Maar bovenal staarden we naar een circusshow met de opgefokte apen van Pennywise als protagonisten. Dit was een grap. Dit was een van de meest banale optredens deze editie. Maar dit was evengoed de meest hilarische punkshow die we ons ooit konden voorstellen. Beste Pennywise, het kalf is al lang verdronken, meer bepaald in de vijver die Dour intussen is geworden.

Die gietende regen heeft één voordeel: I Am X krijgt een volgeladen Club Circuit Marquee voor zich, maar of die staat te wachten op een uur lang donderende elektrorock is maar de vraag. Het wordt dus werken voor Chris Corner en zijn vazallen, maar gaandeweg ontdooit het ijs. Daar doet de frontman dan ook zijn best voor; hij zoekt de hoeken van het podium op, legt contact met het publiek, beukt op zijn eigen drumstel het ritme mee. En dan klikt het plots. “Nature Of Inviting” is de bom die dit optreden nodig had. De cirkelzagende gitaar doorsnijdt de kilte, Corner hamert het ritme mee als moest een staalplaat platgeklopt. De militaristische, industriële stamper “Cold Red Light” walst de tent helemaal plat. “Sex is not enough” klinkt het gescandeerd. “You are the best fucking audience in the world”, wordt dat na een massaal meegewuifd “President”. I Am X haalde uiteindelijk de slag binnen, maar het koste bloed zweet en tranen.

“Maar zég dan toch iets, zak!”, denken we halverwege het optreden van Suede nadien. We zijn dan een half uur ver in een spervuur van hits, en nog steeds heeft Brett Anderson nog geen woord geuit over de moeizame omstandigheden waarin het publiek daarvan moet proberen te genieten. En dan valt op dat ook hij er behoorlijk doorregend uit ziet. En gitarist Richard Oakes evenzeer. Ook voor de Britten geen makkelijke opdracht dus, en de groep kiest als antwoord op zoveel water voor de aanval.

Wat we krijgen: een kanonnade. Een mitrailleurvuur van hits, bedoeld om alle verzet in de kiem te smoren: “Is deze niet goed? Dan deze misschien wel.” En ondertussen vergeten we wel het naregenen, de natte voeten. Dit was een uur lang stampende glamrock van de bovenste plank. Zestig minuten lang doorgaan zonder onderbreking, van de pathos van “She” tot de lalala’s van “Beautiful Ones”. En was er dan weinig sfeer — als het elke keer je springt “splet” zegt, en het vocht je schoenen binnendringt, stop je al snel met springen — op de prestatie van de band was weinig af te dingen. Goéd concert, en daar nemen we geen woord van terug. En dan gaan we nu onze voeten afdrogen, terwijl we het laatste woord aan (jvb) geven.

Eerlijk? Eigenlijk zijn we geen metalfan. Maar er zijn van die bands die onweerstaanbaar zijn. Kyuss is er eentje van, en als het écht op metal aankomt: Life Of Agony (foto) evenzeer. Thuis zetten we dit nooit op, maar zet het gezelschap op een podium, en we worden wild. En zolang het nog duurt –de band kwam in 2002 weer bij elkaar, maar frontman Keith Caputo kondigde recent op Twitter aan van geslacht te zullen veranderen (neen, we gaan geen flauwe woordspeling met de groepsnaam maken), wat de toekomst van Life Of Agony behoorlijk onzeker maakt — staan we paraat als het viertal langskomt. Waarom? Omdat weinig bands zo strak uitpakken met riffs en donderslagen én dat zonder het gevoel te doen ontstaan dat we Spinal Tap aan het werk zien. En omdat we de nacht willen ingaan met een adrenalinekick. Team goddeau klapt de laptop dicht en gaat de waanzin in de droogte van de grote tent van (mvs) opzoeken. Bij leven en welzijn, als de zondvloed niet eerder is: tot morgen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × een =