WERCHTER 2011 :: Puberaal gebazel in een windtunnel

Werchter! Aah, Werchter, die eeuwig wispelturige oude vrijster, weifelend tussen pop en rock, tussen hip en braaf. Vier dagen lang gingen uw mannen de flirt aan, in een zweem van onzekerheid: zou ze er volgend jaar nog zijn, of naar vreemdere oorden zijn vertrokken? Verslag van een vier dagen durende, stormachtige romance met ontgoochelende afloop.

Dag Een: Fluwelen wervelwinden

Stralend weer, een frisse pint, een wei waarop je zou kunnen golfen: beter kan een editie van Werchter niet beginnen. En toch: met een donderdag die ons qua headliners meer nostalgie dan een gemiddelde editie van Rimpelrock belooft (The Chemical Brothers! Linkin Park! 4/5de van Oasis!), was het vooraf toch een beetje hopen op overweldigend jong geweld om ons door die trage start te slepen. Dat, of ongezonde sloten alcohol, natuurlijk. James, de bourbon!

Nieuwe zomer, nieuwe hype, en als we op de set van Odd Future Wolf Gang Kill Them All mogen afgaan, voelen we ons serieus in ‘t zak gezet door de vuilgebekte pubers uit LA. Het skatende zootje ongeregeld werd het voorbije jaar binnengehaald als de nieuwe heilanden van de hiphop (waar hebben we dat nog gehoord?). Maar in de spots van de Main Stage verwordt hun gevaarlijke praat over verkrachting, moord en homofobie — waar we vorige maand in Molenbeek nochtans laaiend over waren — tot puberaal gebazuin in een windtunnel. Gestript van alle hype en romantiek blijkt hun set uiteindelijk niet meer dan dat: vervelende chaos.

Terwijl rappers Hodgy Beats en Left Brain een paar nummertjes aframmelen, komt opperhoofd Tyler The Creator tussen nummers door af- en aangerold met een gebroken been, wat het hele gebeuren alleen maar surreëler maakt. Ondertussen scoren ze vooral punten door wat te schreeuwen over andermans nummers (Wiz Khalifa’s “Rolling Papers” en GZA’s “4th Chamber”), terwijl “Dracula” en “Tron Cat” niet meer dan een geeuw opwekken. Cultklassiekers “French!” en “Fuck Tha Police” proberen nog wat zieltjes te redden, maar de kerk is dan al lang leeggelopen. Mauro placht ooit te zeggen dat spelen op Werchter niet meer is dan in duizend jeugdhuizen tegelijk te staan; Odd Future houdt het voortaan best bij één jeugdhuis tegelijk.

Ondertussen staan de meisjes van Warpaint wél indruk te maken in een overvolle Marquee. Dat bekijks is terecht; hun donkere, spannende, op diepe baslijnen en glazen Curegitaartjes drijvende shoegaze blijft verbazingwekkend goed overeind in deze grote tent. Het wazige van de concerten vorig jaar in de Botanique en AB club is er wat af, en nummers als het omineuze “Undertow” klinken als verraderlijke sirenenzangen. Zelfs al is niet elke song zo sterk als deze, we laten ons toch maar wat graag strikken in de psychedelische netten van dit viertal.

Een zoveelste passage van Seasick Steve hoefde voor ons niet zo nodig, maar de oude, baardige bluesbleekscheet trapt vandaag sterk af met “Diddly Bow”; en wanneer de man vervolgens special guest John Paul Jones — ja, dé John Paul Jones van Led Zeppelin en Them Crooked Vultures — op het podium uitnodigt, weten we dat er geswingd gaat worden op de wei! “Write Me A Few Of Your Lines”, het nummer dat Seasick onlangs samen met Jack White schreef, groovet zelfs een geweldig eind weg. Helaas blijft de pret niet duren en verglijdt de gitarist in zijn oude krakers. Dus natuurlijk wordt een meisje uit het publiek gepikt om haar eigen hoogstpersoonlijke ode te krijgen en wordt er volop geflirt met het vrouwelijke deel van het publiek, genre “This one’s for you, my southern belles”. Wij hebben het langzamerhand een keertje te vaak gezien, maar dat maakt mans gebricoleerde zeepkistenblues er niet minder aanstekelijk op.

Als er één moment TV On The Radio‘s fascinerende set typeert, dan is het wel die ontzettend dansbare versie van “Staring At The Sun” die we vanavond krijgen. Het nummer wordt gespeeld aan zo’n razend tempo dat menig hardcoreband uit D.C. er misselijk van zou worden, maar hoe intens die zorgvuldig gemetselde geluidsmuur ook inslaat, het blijft bovenal een ontzettend breekbaar nummer. Dat balanceren op het randje zonder er een kleerscheur aan over te houden, dat is TVOTR ten voeten uit. Met een grote focus op Dear Science en de nieuwe plaat Nine Types Of Light wordt er furieus uit de startblokken gevlogen met “Halfway Home”, een energiek “Dancing Choose” en de subtiel hoekige bombast van “Caffeinated Consciousness”. Het is een vrolijker geluid dan hun vroegere donkere artrock, iets dat het publiek ook niet onbewogen laat.

Tussen het dansen door smijt Tunde Adebimpe zijn ziel eruit in het tedere hoogtepunt “Will Do”, terwijl met clusterbommen als “Young Liars” en een schuimbekkend “Wolf Like Me” trouw gezworen wordt aan dat oorspronkelijke, donkere geluid. Van zweverige schuiftrompetten tot furieuze gitaaruithalen: TVOTR put uit zijn volledige arsenaal om hun fluwelen wervelwinden van nummers in cadeauverpakking af te leveren en dat in een set die op festivalmaat gesneden is. Klasse.

The Hives staan opnieuw in Werchter, dus is het tijd voor onze jaarlijkse checklist. Spelen ze nog altijd hun geliefkoosde aanstekelijke garagerock die het middenveld tussen oerkreet en popmelodie bestrijkt? Check. Is Howlin’ Pelle Almqvist weer een jaartje ouder en gestoorder en kan hij met zijn bindteksten nog altijd de lachers op zijn hand krijgen? Absoluut. Heten de splinterbommen van dienst naar goede gewoonte “Hate To Say I Told You So” of “No Pun Intended” en klinken de nieuwe nummers, euh… nog steeds als varianten op voornoemde krakers? Moest u dat nog vragen? En al waren de pinguïnkostuums het enige strakke aan de set van ieders favoriete Zweden, het blijft innemende onnozelheid van de bovenste plank. Afspraak volgend jaar?

Aloe Blacc en Rock Werchter leek op voorhand een gedroomd huwelijk dat wel moest uitdraaien op een heet, zonnig feestje. Helaas beslissen de weersomstandigheden daar anders over, maar dat laat de Amerikaan niet aan zijn hart komen. Door op te komen op de tonen van “I Need A Dollar” heeft hij het publiek meteen op zijn hand. Aloe Blacc tourt al even en zijn band is dan ook perfect op elkaar ingespeeld. Tijdens de Velvet Undergroundcover “Femme Fatale” laat Blacc horen een flinke portie soul in zijn ballen te hebben. Al mist hij de diepgang om nog maar aan de hielen van een Marvin Gaye te komen, een geboren entertainer is hij niettemin.

Anouk? Ja, die stond hier ook. En dan? Wij hebben onze portie schreeuwerige Haagse dellen de laatste maanden al ruimschoots gehad.

Op papier kón James Blake nooit werken op Werchter, zelfs niet in de zonnewerende Marquee. Dat deed het dan ook niet. Het verhaal erachter is echter bijlange niet zo eenvoudig als nog maar eens een hype die we vrolijk dienen af te schrijven. Wanneer het anders zo magistrale “Unluck” ingezet wordt, lijken Blake en zijn twee sessiemuzikanten immers zo ontregeld door een horendol publiek dat ze mee fouten beginnen te spelen en elke dynamiek uit het nummer zuigen. Waarna er plots twee minuten ongemakkelijk gefröbel weerklinkt dat moet doorgaan voor het adembenemende “Give Me My Month”. Het is een bizar tafereel: het publiek lijkt naar een curiosum in een freakshow te staan gapen en applaudisseert om te applaudisseren, terwijl Blake wat van achter zijn elektrische piano neuzelt en zijn muzikale mozaïekjes verdrinken in de immense ruimte van de Marquee en het syfilisgebrul van Anouk 100 meter verderop.

Een klefferig zaaltje of desnoods een koptelefoon, dat doet Blakes muziek opleven, niet de grote festivalweide. We proberen de schuld hier niet op het publiek, De Schuer of godbetert het noodlot af te schuiven. Die excuses reiken maar zo ver: de jonge Brit is te zenuwachtig, zoekt net als zijn begeleidingsband geen contact met het publiek en moddert wat ongemakkelijk aan tijdens een te braaf “Lindisfarne” of “I Never Learnt To Share”, waarvan de climax nooit volledig van de grond komt. Dit mag misschien je habitat niet zijn, een namiddagje in Abu Ghraib is het nu ook weer niet.

Niettemin komt Blake nog enigszins op zijn pootjes terecht wanneer de groep het uitstekende “CMYK” inzet: de onweerstaanbare beat wordt heerlijk in elkaar geplakt en dwingt het publiek zowaar tot bewegen. Ook “Limit To Your Love” doet de bassen als vanouds klieven en de hoofden goedkeurend meeknikken, maar de exodus is dan al lang ingezet richting Queens Of The Stone Age.

“Let’s party”, spreekt Josh Homme het publiek toe als introductie van Queens of the Stone Age, waarna de baslijn van “Feel Good Hit Of The Summer” het feest op gang trekt. Een dijk van een plaat hebben de Queens al eeuwen niet meer uitgebracht, live zijn ze gelukkig nog de pletwals van weleer. Hoera!

En voor de zoveelste keer blijkt E zijn Eels opnieuw te hebben uitgevonden. We hadden al de kermis-Eels van de Electro-Shock Blues-tour, de swamprock uit de Souljacker-tijd, en vandaag krijgen we: Eels met blazers. Met een zeskoppige band rond zich — allen strak in het pak met zonnebril en baard als hun leider — ploegt E zich met een grijnzende heupswing door zijn oeuvre. Ja, de tong steekt hier stevig in de kaak wanneer E oorverdovend gejuich pareert met “I feel like a Beatle” (toegegeven, we begrijpen ook niet waarom zo’n gekrijs plots opsteeg tijdens een niettemin puik “The Look You Give That Guy”), maar een stevig “Novocaïne For The Soul” na een knotsgekke introductieronde, verliest niets aan kracht. Het feestelijke niemendalletje “Looking Up” wuift ons uitgeleide en we weten: die zoveelste depressieve fase van E is weer even voorbij.

Waarna het bordje vergane glorie wordt aangesneden. Op het hoofdpodium doet Linkin Park nog eens zijn potsierlijke trucjes over, in de Marquee klinkt ondanks de luidkeelse aanmoediging “Liam! Liam!”, voor ons toch vooral “Noel, kom terug!”. Ja, Beady Eye is bij momenten tragisch hard “Oasis zonder Noel”, in die mate dat we over de intro van “Millionaire”, “Is it myyyy imaaginashiun” willen beginnen zingen en over een ander “Slip inside the eye of your mind”. We willen maar zeggen: het lijkt nogal op dat andere groepje waarvan Liam Gallaghers Beady Eye ooit zo ongeveer tachtig procent uitmaakte, maar toch net niet. Dit is ordinaire sixtiesrock zoals het door The Beatles en The Who destijds véél beter werd gedaan, en het duurt tot singles “The Roller” en “Bring The Light” voor we ook maar een beetje zweem van melodie horen. Kom terug, Noel, serieus.

Maar bon, het is nog altijd beter dan de ongelofelijke treurnis die we op de Main Stage mogen aanschouwen. Afgaande op uw enthousiasme op tal van fora en de uitzinnige reacties ter plekke, heeft u blijkbaar lang moeten wachten om Linkin Park eindelijk eens live te zien. Wat ons betreft heeft het nog niet lang genoegd geduurd. Geprefabriceerde gitaarriffs die Trent Reznor rechtstreeks naar de vuilbak zou slepen, potsierlijke raps, nog veel lachwekkender geschreeuw… waar gaat dit in godsnaam over? Heren, uw puberteit is lang geleden, en HET IS NIÉT ERG. Dat geldt ook voor u, beste publiek: get over it. U bent groot, uw puistjes zijn uitgeknepen en uw oren zouden ondertussen kwaliteit van onzin moeten kunnen onderscheiden. Hop, naar de tent en slaap daar maar eens een nacht over. Chemical Brothers? Hurts? Ons hoofd staat niet naar nog een van Tom Rowlands en Ed Simons’ routineuze effectenspektakels, en die tweede groep is te belachelijk voor woorden. Niémand heeft om een eightiesrevival noch een veredelde modeshow gevraagd. Kortom: wij passen.


Dag Twee: Samoeraïsaus

Ontwaken op een festival is altijd een beetje bevreemdend. Filosofische vragen als waar en wie ben ik doemen op nog voor het ontbijt, en leiden steevast tot goede voornemens die — als het weer meezit — tegen de middag alweer overboord gegooid zijn. Werchter Dag Twee dient zich saai aan, maar eindigt onverwacht nog in een uitbundig feestje.

Harige mannen, een jongedame in een trouwjurk: Grouplove doet er weinig aan om te verbergen dat de dag met een portie peace en love ingezet moet worden. Het Californisch gezelschap dat de marquee opent, doet dat melodieus op zijn hippies; behoorlijk charmant. Bijna gaan we op zoek naar een dealer om de dag helemaal vrolijk in te zetten, maar na een half uurtje goedgemutstheid hebben we onze portie wel gehad. Dit is misschien feel good muziek, maar dan van een minder boeiende orde dan de hits die QOTSA gisteren serveerde. Gelukkig is er het afsluitende “Colours” om de meubelen te redden: aardig, erg aardig, en het zou bijna doen vergeten dat zo dadelijk de lelijkerds van My Chemical Romance op het programma staan.

Helaas. Het is meteen even het begin van een moeilijk moment voor (mvs). Ernstig nu: we zagen u wel uit de bol gaan op de brute, hysterische onzin van “The Black Parade” of (godbetert) “Na Na Na”, maar méénde u dat ook? Het vette kopje van Gerard Way mag u dan roodgekapt bezweren dat u geweldig bent, hun trieste, platte, emopunk is dat allesbehalve. En het wordt nog erger. Zucht.

Slettebakken aller landen, verenigt u immers, want Ke$ha, het vuilgebekte nichtje van Britney Spears, komt in de Marquee “een feestje bouwen”. Gelukkig weet het meisje dat dit ooit een festival voor echte artiesten was, en dus draait ze tussen haar dansjes door even ongeloofwaardig aan wat knopjes, en torst ze een effectenbakje als was het een modeaccessoire. Ondertussen boenkt dat maar plat door, terwijl de blonde del schunnige teksten over fuiven en bitches debiteert. Eerst My Chemical Romance, dàn Ke$ha; ergens maken we onszelf wijs dat het vroeger geen waar zou zijn geweest. Wat staan wij hier in godsnaam nog te doen?

Goeie vraag, eigenlijk. Wegwezen richting hoofdpodium dan maar, waar Triggerfinger zijn old skool gitaarduivels mag ontbinden. Alleen: de samoeraisaus aan het kebabkraam links van het podium is een pak straffer dan wat het trio neerzet. Akkoord, dit is best sterk, stevig en strak, maar het blijft op maat van het hele gezin, en dat kon toch niet de bedoeling zijn? Of wel? “I’m coming for you” zingt Ruben Block in het gelijknamige openingsnummer, maar het is niet alsof moeders angstvallig hun dochters moeten thuishouden. Een drumsolo, een dansje bovenop de boxen, een waar zijn die handjes-moment: de hele trukendoos wordt bovengehaald. Enkel met explosief materiaal als “Let It Ride” en “First Taste” waait even de geest van Led Zeppelin kortstondig over de wei, maar verder is dit niet meer dan het muzikaal equivalent van een gezapige wandeling in het park.

Dezelfde gezapigheid bij White Lies, want nog steeds heeft de groep zijn twee grote vijanden niet bedongen: de zon, en de babyface van zanger Harry McVeigh, die er blijft uitzien alsof hij niet bij zijn diepe stem hoort. Voor het overige echter weinig klachten over dit degelijke optreden. De groep heeft ondertussen genoeg hits om met “Farewell To The Fairground” te kunnen openen, en ook “Death” mag al vroeg in de set los. Niet erg dus dat het nog aardig zonneschijnt over de naar Joy Division knipogende muziek; White Lies is een overtuigende middenmoter geworden. Dat is niet veel, maar wel iets. Even, héél even, voert de groep onze top tien van het weekend aan. Bij gebrek aan beter.

Tot The National, op de tonen van Dylans “The Man In Me”, het podium bestijgt en de kaarten helemaal herschudt. De band komt rechtstreeks uit Polen — staying out super late –, maar waar anderen ten onder gaan bij dergelijk slaapgebrek, sleept het Matt Berninger en de zijnen richting grootsheid. Met stevige versies van “Anyone’s Ghost” en “Mistaken For Strangers” wordt — schijnbaar uit de losse pols — een uur magie ingezet. Wanneer niet veel later een perfect “Slow Show” volgt, lijkt het een uitgemaakte zaak wie dit jaar het meest beklijvende concert speelt. Als Berninger tijdens “Mr. November” zijn stem tot het uiterste drijft, denk je dat het toppunt bereikt is, tot de groep er nog een wondermooi “Terrible Love” uitperst als afsluiter. “Wow”, klonk het dan ook uit meer dan een mond of, om het met Dylan te zeggen: “but oh, what a wonderful feeling”.

Beter wordt het vandaag op rockvlak niet, want eerlijk? Hoe zot we ook staan van hun platen, live hebben Arctic Monkeys ons nog nooit van de sokken geblazen. Maar een mens blijft hopen en dus wordt ook nu vol goede moed de Main Stage opgezocht. Helaas… waar de woestijnkuur de Monkeys op plaat naar een hoger niveau getild heeft, blijft het live allemaal, nogmaals, steken in een groot gezapig rondje deuntjes spelen. Gelukkig zijn de goede voornemens al uren overboord gezet en zorgt de puberale actie die we kennen als het binnensmokkelen van sterke drank voor de nodige mildheid en is het leuk meezingen met “The Hellcat Spangled Shalala” (jaja, lalalala etc) en “Fluorescent Adolescent”.

Nu nog een dealer weten te strikken en we zijn klaar om Kings Of Leon uit te zitten, al strekken we eerst even de benen richting de Marquee. Gaan we dansen? We gaan dansen, jawohl.

En dan maakt het niet uit dat werkelijk geen van de groepsleden van Goose over ook maar een greintje charisma beschikt. ‘t Zijn vier op en top Vlaamse jonkies die het podium van de Marquee bemannen; een beetje sullig, nerdig zelfs. Maar ze nemen het publiek van bij de eerste noten van instrumentale opener “Synrise” in een houdgreep om niet snel weer te lossen. En zelfs al blijft de stem van Michael Karkousse een zwak punt, dit is een feestje zoals Rock Werchter er dit jaar nog geen heeft gezien. U danst uw kousen er af tijdens een spetterend “British Mode”, gaat een paar nummers later collectief rustig zitten bij “Hunt”, en ontploft vervolgens bééldig bij een ronduit epoustouflant “Words” dat eindigt met een Karkousse en Dave Martijn op de rand van het podium, met de gitaren de song even helemaal de chaos induwend. De overwinning is op dat moment al lang compleet, maar de extra punten voor venijn zijn genoteerd.

Met goddeau hebben we op journalistiek vlak nooit de gonzo-aanpak nagestreefd — ons tenger lijf kan dat niet aan — maar soms lijkt het er op dat het niet anders kan: dit festival heeft anno 2011 zo’n — om het zacht uit te drukken — intrigerende line-up, dat het voor een keer wijselijk lijkt raad te zoeken in dat wat een festival tot een festival maakt. Goed, brown acid hebben we ondanks hardnekkig zoeken niet gevonden, maar een beetje ronddolen volstaat om het spreekwoord “drank in de man, wijsheid in de kan” eer aan te doen, en stevig loos te gaan op Kings Of Leon.

Maar laten we wel wezen, op amper enkele jaren tijd is die band geëvolueerd van een te duchten concurrent van Crazy Horse tot een Eagles-afkooksel. Gelukkig laat de Followill-clan recente miskleun Come Around Sundowngrotendeels links liggen, en wordt de weide getrakteerd op meer kwaliteitsvol materiaal als “Four Kicks” en “Molly’s Chamber”. En zo hoort het ook, voor een band die het podium betreedt met het geweldige “Beat And The Pulse” van Austra als intro-muziek. Maar wanneer nieuwe songs als “Back Down South” weerklinken, betrap je jezelf erop dat je elk moment in een uithoek van de weide een brandend kruis verwacht aan te treffen. Dan toch liever de meezingmomenten, die vakkundig opgebouwd worden met een weergaloos “California Waiting”, “On Call”, een voor een hittegolf gemaakt zijnde — damn you, koudegolf — “Knocked Up” en, hoe kan het ook anders, “Use Somebody” en “Sex On Fire”.

Nog maar een feestje dan? The Subs bouwen er in de Marquee eentje voor onze ogen. Eentje dat gevaarlijk, destructief, en op het randje van de waanzin is, zelfs. Jeroen “Papillon” De Pessemier kruipt tijdens “Bang Bang Bang” in de versterkerstoren, slaagt er in, met de microfoon stevig in de mond, over de handen te wandelen, en zweept het publiek op tot het niet meer weet waar zijn hoofd staat. Dat de groep daarbij een smakelijke mix van dance, trance, house en weten-wij-nog-veel-wat speelt, hélpt natuurlijk. Grapjurken zijn het ook: voor “The Face Of The Planet” wordt een net of twee opblaasbare wereldbollen op de massa losgelaten. Op plaat vinden we dit nog altijd een beetje plat, maar live, wanneer ook The Pope Of Dope plots in de nok van de Marquee hangt, was dit niet meer of minder dan een gebeurtenis. We zullen nog de hele nacht dansen in ons bed, en arriveren dan ook verdomd flauwtjes op:

Dag Drie: Wijf van het jaar!

Dag Drie en iedereen komt voor Coldplay: de ene om te juichen, de andere om te sneren. Ons reikhalzend uitkijken gaat echter vooral naar Bright Eyes en Portishead.

Het is alleszins nog lang aftellen en The Pretty Reckless maakt het er niet bepaald aangenamer op. Tieneractrice Taylor Momsen heeft blijkbaar wat issues te verwerken, blies dan maar een punkgroepje rond zich in het leven en mag ons daar nu mee lastigvallen. Aangezien er weinig méér gebeurt dan wat punkrockclichés en powerchords rangschikken, had ze dat groepje tot haar garage mogen beperken. Er zijn wel meer te jonge tentsletjes met Metallicashirts in de buurt en aan het hoofdpodium schijnt de zon.

The Gaslight Anthem heeft Springsteeniaanse ambities met weids uitwaaierende epossen over het leven van de gewoon Amerikaan, maar landt wat ons betreft nog net iets te dicht bij punkrock met een jong Boss op zang, of een niet-campy Killers met inhoud. Op plaat, want live geraakt de groep met gemak een categorie of twee hoger, wat hij een halve set (begin en einde waren snel vergeten) ook bewijst. Met een snedige cover van “Mannish Boy” vindt de band zijn groove en horen we een klein half uur lang een perfecte mix van soul, passie, pathos, gruizelig gitaarwerk en blue collar romance die culmineert in een onstuimig “Bring it On”. Er zit duidelijk veel meer in deze band, maar het uur was te vroeg, het podium te groot of de kop te mistig om het er vandaag echt helemaal uit te krijgen. Even was The Gaslight Anthem echter de echte nieuwe Great American Songsmiths.

Jenny and Johnny, dat is Jenny Lewis (Rilo Kiley) en haar wederhelft Jonathan Rice. Vorig jaar overtuigden ze als opener voor Vampire Weekend in de AB en vandaag laat het duo horen dat het ook zijn streng trekt in een festivaltent. De vrolijke mix van sixtiespop en countryrock kan op zijn beste momenten (“Committed”, “Scissor Runner”) omschreven worden als een feelgoodvariant van The Kills. Het catchy “My Pet Snakes” mag wat ons betreft zelfs een dikke zomerhit worden. Give peace a chance!

Oh Elbow, how you’ve grown. Al die jaren als snoepje voor de kenners op b-podia en nu voor een volle weide op het hoofdpodium. “The Birds” lijkt een wat gedurfde, bedeesde opener, maar wanneer Guy Garvey vraagt om de handen even de lucht in te gooien, gebeurt dat tot ver achter de PA. Ook “Grounds For Divorce” zindert tot ver achteraan door, maar het is pas met het verstilde duo “The Loneliness Of The Tower Crane Driver” en “Lippy Kids” (inclusief passionele inleiding van Garvey) dat de band helemaal op kruissnelheid komt. Knuffelbeer Garvey krijgt nog een stevige mexican wave in gang, waarna u elkaar breed glimlachend in de armen valt tijdens zangstonde “Open Arms”, en “One Day Like This” erin gaat als een penalty voor open doel. Een klein triomftochtje, jazeker. Een prachtig concert, dat ook, en fantastisch dat een van onze favoriete bands zegerondjes mag lopen voor een groot publiek, maar volgende keer graag iets dieper snijdend en weer wat oude songs in de set. Ja, we zijn verwend, maar van een band die ons gitzwarte, cynische hart weet te raken, verwachten we dan ook elke keer tranen in de ogen.

“The other stage is too loud for quiet songs”, excuseert Conor Oberst zich na amper drie nummers. Maakt niet uit. Bright Eyes is op dat moment al lang in uitstekende rockmodus en blaast de Marquee een uur lang weg met een dwardoorsnede van dat immer uitdijende oeuvre. Van de daverende opener “Jejune Stars” (het moet van zijn punkproject Desaparecidos geleden zijn dat de man zo venijnig rockte) gaat het naar een fel “Four Winds”, waarna dan toch een beetje op de rem mag getrapt worden met “Old Soul Song”. Kippenvel is ons deel, net als tijdens een uitzinnig “Shell Games”, waarin Oberst opzweept met dat “Everyone at the count of three; all together now!”. Vandaag is hij dan ook meer publieksmenner dan ooit, zeker wanneer hij tijdens “Arc Of Time” voortdurend de rand van het podium opzoekt, of wanneer hij dolgedraaid “Road To Joy” in absolute chaos laat ontsporen. De flirt met eighties schmalz die “One For You, One For Me” is, past daarna als knuffelronde uitstekend als afsluiter, en Oberst bedankt met een snelle duik in de frontstage en wat publieksomhelzingen. Knuffel terug, Conor, we zien je graag dit najaar terug.

Er zijn jaren dat je zit te wachten op een cd die de titel “plaat van het jaar” verdient, en er zijn van die jaren dat het snel komt. In februari al legde PJ Harvey met Let England Shake de lat verschrikkelijk hoog voor de concurrentie dit jaar. Op de Main Stage van Werchter is dat vandaag niet anders. Ondanks het soms licht hermetische karakter van de nieuwe songs, konden nummers als “The Words That Maketh Murder” of “The Glorious Land” en zélfs de frêle folk van “England” de confrontatie probleemloos aan met de open lucht en een publiek dat op Coldplay staat te wachten. De “Blood And Fire”-sample van “Written On The Forehead” zorgt zelfs voor een klein, aangenaam meezingmoment. Goed, ver de wei in reikte het niet, en brute uithalen als “The Sky Lit Up” of de verschroeiende afsluiter “Meet Ze Monsta” zullen fans van Chris Martin even hebben doen fronsen, maar toch: wat een optreden, wat een plaat. Wijf van het jaar!

Bij daglicht spelen, voor een weide vol Coldplay-fans? Portishead maakte het zich niet gemakkelijk toen hij voor dit festivaloptreden toezegde. Het is dan ook de oren spitsen tussen al het gelal van ongeïnteresseerde Coldplayfans, maar daar abstractie van makend: wat een concert alweer. Van bij de eerste tonen van “Mysterons” tot de daverende krautrockgroove van “We Carry On” is dit van een bijna-perfectie die live zelden bereikt wordt. Opener “Silence” is er al meteen óp: zware, denderende drumloop, omineuze mechanische strijkers, een gitaar voegt melancholie toe, en dan is daar: die stem.

Nog steeds is Portishead immers dat: de hartverscheurende tristesse van Beth Gibbons op muziek gezet. Niemand, en we bedoelen ook echt wel niémand, kan zo geloofwaardig wegraken met een “Nobody loves me” als zij, zonder ook maar een moment pathetisch te klinken. Het gaat door merg en been, en ook “Over” krast dieper dan je na dertien jaar zou verwachten. En dan is er nog de verstilling van “Roads”, waar geen duizend Coldplays een antwoord op kunnen hebben. Even is het opnieuw 1998, en zijn we verliefd. Beth Gibbons, trouw met ons. Alstublieft.

Maar het gaat vandaag om Coldplay dus, de band waar minstens 60.000 man zo hard op wacht dat Portishead en PJ Harvey en masse tot negeerbaar voorprogramma gereduceerd werden. Twee jaar geleden stonden we zelf enigszins puberaal huppelend op Chris Martin en de zijnen te wachten, dit jaar bonkte eerder een gigantisch vraagteken tegen de hersenpan. Waarom zo idioot veel geld? Waarom die verschrikkelijke nieuwe single (en waar blijft dat album dan)? En waarom zit zoveel volk op licht belegen kaas te wachten?

Coldplay heeft meer pretentie en entertainment bij dan twee jaar geleden, maar geen vers succesalbum. We moeten het qua relevantie doen met een tenenkrullende single en enkele (op zijn best matige) nieuwe songs. En dat het Coldplay is: de zelfverklaarde (want wie bepaalt die prijs anders?) duurste festivalact ter wereld. Onze mond valt open bij de foute, bombastische intro, zakt nog wat dieper bij de kermisklanken van nieuwe song “Hurts Like Heaven” (die titel!) en pas tegen tweede bisnummer “Fix You” (nochtans een zeemzoete powerballad die in windtunnels getest is om een festivalpubliek zo efficient mogelijk in vervoering te brengen) komt er enig goedkeurend gegrom uit onze keel opgeborreld.

Daartussenin elke truc van de foor: vuurwerk, confetti, ballonnen, geel licht om “Yellow” aan te kondigen, af en toe “people of Belgium” in je songteksten smokkelen en een extra laag stroop over je al niet bepaalde hartige songcatalogus gieten. Zelfs (toegegeven, tegen de schmaltz aanschurkende) songs als “The Scientist”, “Shiver” en “Clocks” die ons ooit wisten te beroeren, klinken zo publieksvriendelijk (zonder stukjes!) dat we er opstandig van worden. “Violet Hill”, “Politik” en “Viva la Vida” (waar we met zijn allen, druk ‘oh oh oh oh ooh’-end, al de hele dag op zaten te wachten), blijken korte opflakkeringen van klasse, maar in zijn geheel heeft Coldplay weinig meer te bieden dan licht verteerbare headliner te zijn, waar je vooral niet te lang bij mag nadenken. Een uitstekend spelende band, dat wel, die bovendien met zichtbaar plezier op het podium staat. Een knappe show (multicolor lasers!) ook. Mooi verpakt dus, maar we vragen ons toch af wat er zonder die smaakversterkers nog van overblijft.

Er was een tijd dat we Coldplay met veel vuur verdedigden tegen een hoonlachende en beledigingen spuwende muziekpolitie, maar het is mooi geweest. Lieve Chris, we zijn uit elkaar gegroeid. Misschien is het beter dat we elkaar niet meer zien. We will always have Parachutes. Liefs, (mvm).

Dag Vier: Testosteronbommetje

Het is dat het campy metalfestijn Iron Maiden breed grijnzend aan den einder lonkt, of we zaten misschien wel naar een ploegentijdrit te kijken. Het geduld raakt een beetje op, want na drie dagen van het beste festival ter wereld hebben we eigenlijk nauwelijks memorabele concerten gezien. Veel verdienstelijke pogingen en wat verspreide opflakkeringen van genialiteit, maar als geheel meandert Werchter 2011 wat te hard en de affiche van de laatste festivaldag belooft er op dat vlak nog een schepje bovenop te doen.

Zo mogen The Vaccines in de marque bewijzen de hype waard te zijn, maar na vijftien minuten houden we het niet meer. Zanger Justin Young komt meer stoned dan een school garnalen het podium opgezwalpt en heeft enkele boeiende punten in de verte waar hij zijn lege blik op kan focussen. “Blow it Up” en “Post Break-up Sex” zijn aardige garagedeunen die nog van hun Strokesinvloed afmoeten, “Wreckin’ Bar” is een pittige oefening in punk en “If You Wanna” bengelt wat tussen Strokes en Interpol in. Fijn allemaal, leuk wegluisterend des middags op een zonnige festivaldag, dus een volle Marquee vindt het absoluut geweldig. Young valt vocaal echter nogal eens door de mand zonder autotune en de band mist echt een smoel om te blijven boeien. En onze professionele geduld-reserve voor dit weekend is intussen écht op. In het publiek staat een meisje met een zelfgemaakt like-button te zwaaien, maar wij houden het — toegegeven: wat blasé — toch even bij ‘meh’.

In de verte staan de dertigers van Social Distortion wat van teenage angst te doen. En ze hebben een clip op “The YouTube” staan die ze speciaal gemaakt hebben opdat MTV ze niet zou spelen. Waarop ook wij even met een biertje vol overtuiging het to the man stickend van de zon genieten.

Kasabian blijkt iets later net wat we nodig hadden om onze cynische, betweterige lethargie te doorbreken: een onverwacht feestje met dank aan de onvermoeibare überfrontman Tom Meighan en de tweede stem en nonchalant uit de gitaar gegoochelde licks van Serge Pizzorno. Met “Clubfoot ” en “Where Did All the Love Go?” pal vooraan in de set vrezen we even dat het zaakje nog ineen zal zakken, maar Kasabian blijkt ongemerkt een stevige verzameling aan krakers bijeen geschreven te hebben. Meighan blijft het publiek opjutten, de band staat met zichtbaar plezier te spelen en gooit er nog en passant een flinke streep “Misirlou” door, zodat er tegen setsluiter “Fire” tot aan de PA uit de hand van Kasabian gegeten wordt. En er kon weer “oewoewoe woe woewoe” gezongen worden, maar nu over een smerige groove. Een welkom testosteronbommetje in de namiddag. Wij — en een hoop schoon vrouwvolk op de eerste rijen met ons — hadden er deugd van.

Het meest verrassende aan Kaiser Chiefs is dat de band zowaar een jaar niet op een Belgisch festivalpodium gestaan heeft. En dus is het heel even een erg prettig weerzien wanneer “Every Day I Love You Less and Less” door de boxen knalt. Al gauw blijkt echter dat we dit al een keer of drie te veel gezien hebben. Ook al zijn “Ruby”, “Angry Mob”, “The Modern Way” en “I Predict a Riot” geweldig leuke songs en hebben we met zijn allen wel wat zin in vrolijk zingend rondgehos, er is ondanks het sabbatjaar te weinig aan dit vrolijk zingend rondgehos veranderd. Vooral ook omdat de nieuwe nummers nog niet echt lijken aan te slaan. Uiteraard is “Oh My God” weer een onweerstaanbaar publieksmoment, maar zelfs Ricky Wilson leek de twee minuten publieksspelletjes aan het einde al beu te zijn, want hij vergat zowaar een weihelft erbij te betrekken. Ideaal festivalvoer, die Kaiser Chiefs, maar het blijft nog steeds de vraag hoe lang ze op diezelfde songs en trucs kunnen blijven teren. Al vragen we ons dat ook al erg lang af.

En plots gaat het volume stevig de hoogte in voor Grinderman. Als een opgeladen Nick Cave “Fuck the fine, we’ll pay it, TURN IT UP” richting geluidsman briest, gaat het volume al snel richting 12. Grinderman zorgt voor een niets of niemand ontziende storm van vuige blues, opgekropte frustraties, woekerende geilheid en theater. Want hoe oprecht Caves waanzin ook lijkt, Ellis gaat elk concert op hetzelfde moment de grond op. En wie toch echt een beetje bang werd, moest gewoon naar de kleur van Jim Sclavunos’ roze drumstel en pak kijken om te weten hoe stevig de tongue in Caves cheeck geparkeerd staat.Maar het is waanzinnig entertainment dat de prut en easy listening uit de oren blaast. Entertainment dat bovendien geholpen wordt door fantastische songs als “Heathen Child”, “No Pussy Blues”, “Wolf Tamer” en “Grinderman”. De scheut vuiligheid en kick in the balls die Werchter 2011 nodig had.

na iets te lang uitpuffen van Grinderman sukkelen we een dik kwartier te laat de Marquee binnen voor Fleet Foxes. Twintig minuten eigenlijk, want de vossen zijn vijf minuten te vroeg begonnen. In die tijd hebben ze de met Robynfans volgepakte tent duidelijk al lang ingepakt. Het trio “Sim Sala Bim”, “Mykonos” en “Your Protector” treft zo fel doel bij het uitzinnige publiek dat het even lijkt alsof Iron Maiden voor ons staat. Frontman Robin Pecknold gelooft het allemaal niet zo. “Thanks, uhm, really, wow, thanks, uhm…” klinkt het vertwijfeld, terwijl hij bibberend van zijn thee (!) sipt. Waarna hij een blik op zijn band mates werpt, met zijn hoofd knikt en een nieuwe harmonieuze kruisraket afvuurt. Het is volstrekt onzinnig dat Fleet Foxes met zijn engelachtige folkrock dit soort volk en respons blijft trekken, maar wat ons betreft mag het nog héél lang blijven duren. Hell, op deze manier krijgen ze zelfs Vorst Nationaal mee.

Iron Maiden live zien nadat je net This Is Spinal Tapherbekeken hebt, is een speciale ervaring. De oervaders van de New Wave Of British Heavy Metal toveren halfweg “Dance Of Death” een Keltisch dansje uit hun gitaren en we verwachten even dat er “Stonehenge”-gewijs enkele dwergen rond een fout decorstuk staan te dansen. Maar niets van dat alles. De camp is er onder de vorm van een uitgebreid decor en twee Eddies, maar Iron Maiden is nog niet afgeschreven. De nieuwe songs vallen soms wat plat op hun bek in de toch niet zó gevulde weide, maar Bruce Dickinson rust niet en in de fenomenale laatste 45 minuten krijgen de gouwe ouwen (“Fear of the Dark”! “The Evil That Men Do”! “Iron Maiden”! “The Number of the Beast”! “Hallowed Be Thy Name”!!!!, “Running Free”!) vlot de kelen open en de handjes op mekaar. De traditionele setsluiter (“Always Look On The Bright Side Of Life” van Monty Python over de PA) zorgt bovendien voor de vrolijkste en grootste zangstonde van het hele festival. Een onterecht verguisde topact die nooit vergeten is dat je professionaliteit en degelijk songmateriaal nodig hebt om met puberale ongein te blijven wegkomen.

Robyn heeft intussen — zo wordt ons van zowat overal gemeld — een waanzinnig feest gebouwd in de Marquee. Dat verwachtten we al, maar we kunnen helaas niet overal zijn (in tegenstelling tot professionele journalisten die blijkbaar wel twee parallelle concerten kunnen verslaan), dus we koesteren gewoon nog even de herinnering aan het concert in de AB.

Intussen is A-Trak al volop het feest voor The Black Eyed Peas aan het voorbereiden. Ook lijkt een behoorlijk groot deel van het publiek nog zin te hebben in een uur hits en beats (het klinkt zowaar beter dan The Chemical Brothers, denken we even) en vooral The Black Eyed Peas nadien. Wij niet, dus we schuifelen huiswaarts. Dat scheelt ook weer wat blasé opmerkingen over hoe die kwibussen gewoon krèk dezelfde set spelen als twee jaar geleden. Een set die toen op zijn beste momenten al voornamelijk op de lachspieren werkte.

Werchter 2011 was op papier al een wisselvallig beestje, met soms vreemde keuzes in de programmatie (Portishead en PJ Harvey zijn echt niet optimaal als opbouw naar Coldplay, om even het meest frappante voorbeeld erbij te halen) en is dat ook geworden. Topmomenten genoeg, maar al te veel verspreid en zeker op het hoofdpodium moesten sommige artiesten vechten voor elke (nochtans meer dan verdiende) klap, terwijl anderen voor elke slim geplaatste scheet op extatisch gejoel werden getrakteerd. Die extra podia zijn dus nodig, hopelijk komen ze er en bieden ze ruimte voor een beter geprofileerde line-up per podium. Op naar een herbrond Werchter 2012?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 5 =