DOUR 2011 :: Een pandamuts is maar een kleine moeite

Dag Vier: Een nekschot voor The Drums

De sleep-je-er-maar-door-dag: dat is Dour Dag Vier. Met weinig echt appetijtelijks op de affiche, zal het vandaag zoeken worden naar krenten in de pap, nieuwigheden waar we nog niets van hoorden en ander ongeregelds. Aan het werk, kortom, “en zie maar dat je iets kunt schrijven”, roept de hoofdredacteur ons na, terwijl hij zich nog eens omdraait.

 

Deftig op Dour
Wie meer Dour wil, klikt voor de langere verslagen van de tien beste concerten hieronder.

 

 

We beginnen met nog eens dag te zeggen aan een oude Dourbekende. Want ook dat is dit festival immers: Waalse groepen waar je anders nooit van hoort, eens gaan uitchecken. Ultraphallus kregen we drie jaar geleden al eens op ons bord, en blijkbaar is er nog niet veel veranderd. Goed, zanger Phil Maggi heeft nu een bordje effectenpedalen voor zijn microfoon staan, vervormt zijn kreten zo tot ijselijk gegil, maar de loodzware, aan Black Sabbath schatplichtige riffs zijn nog altijd wat we in 2008 ook al kregen. Best boeiend, maar ook vandaag kan de groep niet verbergen dat er voorlopig niet meer dan een geluid is, en maar bitter weinig interessante songs.

 

Eerlijk? Wij dachten écht dat SX (foto) met hun catchy herwerking van Beach House — “Black Video” — in de voetsporen zou treden van Customs. Beiden staan aan de top van het idiote, doch prestigieuze steel-ongegeneerd-andermans-ideëen-en-verdien-er-geld-mee-klassement. Daarenboven dachten wij ook écht dat frontzangeres Stefanie Callebaut een mislukte diva is, die enkele jaren geleden werd uitgeworpen door Star Academy, de talentenjacht naar talentloze talenten. Toegegeven, we hebben ons vergist. SX probeert veeleer Isaac Hayes’ Shaft met de chillwave van Washed Out of het spookachtige How To Dress Well te combineren. Vooral Callebauts theatrale uitbarstingen grijpen op brute wijze naar het nekvel, zonder een seconde te laten begaan. Er is echter nog werk aan de winkel om enkele rotte appels weg te werken. Te beginnen met “Black Video”: uitstekende popsong, maar live het dieptepunt van de set.

Jarenlange conditionering heeft er voor gezorgd dat in ons hoofd een gevormd werd van festivals als zonovergoten oorden waar het naar rozenblaadjes geurt en schaars geklede meisjes met een stralende glimlach dansen op de tonen van wonderlijke klanken. Doch helaas. In deze herfstige realiteit ligt dat idee aan scherven. Of toch niet? Airship, een jong Brits viertal dat begin september zijn debuutplaat uitbrengt, zorgt voor zonovergoten indiepop die in geen tijd een glimlach op het gezicht tevoorschijn tovert. Ja, er is nog wat werk aan, het publiek in de ban volledig in de ban krijgen, lukt nog niet, maar met fijne single “Kids” gaat de tent nagenoeg plat. Jep, dit is leuk. En ja, het doet deugd een glimp op te vangen van festivalgebeuren zoals we dat in onze dromen altijd meemaken.

Een regenbui! Alweer! Snel schuilen dan maar, en wat staat het dichtst in de buurt? La Petite Maison dans La Prairie, waar Russian Circles zo meteen zal beginnen. Maar laat het toch maar zitten, want die al te overdachte postmetal, dat epateren met vingervlugheid en onverwachte tempowisselingen gaat al snel vervelen. Maar kijk, daar is de opklaring. Wég zijn wij, naar de andere kant van het terrein.

Waar we stuiten op een dosis peace, love and happiness: The Bewitched Hands komt uit Frankrijk en brengt iets dat het midden houdt tussen de oer-Beatles, Arcade Fire en The Mamas And The Papas. Hiervoor komen we dus naar Dour: om bands als deze te ontdekken. Het zeskoppig gezelschap zorgt voor geweldige meezingmomenten en slaagt er in de Club Circuit Marquee een klein uur lang het gevoel te geven in Californië te vertoeven. Nummers als “Hard To Cry” bevatten de aanstekelijkste meerstemmige zang die we in tijden mochten horen. Met een afsluiter die verhaal doet over hoe het ‘s avonds fout kan voelen, weet de band bovendien de combinatie van euforie en melancholie die over zo’n laatste, slopende festivaldag heerst perfect van een soundtrack te voorzien. Morgen naar de platenwinkel, zoveel is zeker.

Zondag is ook weer reggaedag. Na Alborosie en Tarrus Riley eerder op de namiddag, zorgde Anthony B — inmiddels vaste klant op Dour — voor de eerste degelijke portie reggae van de dag. Herkenbaar door danspassen en uitbundige sprongen die op zijn minst bizar genoemd kunnen worden, wist de band zelfs de niet-reggae-liefhebbers die slechts kwamen schuilen tegen een nieuwe regenstorm tot dansen te brengen — wij spotten tijdens “Police” zelfs een zeer uitbundig juichen, alstublieft. Anthony B kroonde zichzelf moeiteloos tot koning van de Dancehall, letterlijk en figuurlijk.

 

En daar drijft de regen ons alweer richting Petite Maison, waar we kennis maken met Boris. Het volume gaat zienderogen in de lucht en de gewelddadige riffs wekken de weergoden uit hun schoonheidsslaap, zò verschroeiend is de noise van Boris. Ook voor ons is het moeilijk ontwaken, maar wanneer bassiste Takeshi haar zwanenzang inzet, snakt de hele Maison de la Petite Prairie naar adem. Een zeldzaam rustpunt in de set, die voornamelijk wordt gedomineerd door hyperventilatie. Het was luid, maar daar genoot u schijnbaar met volle teugen van.

Van langharige Japanners slenteren we naar de teletubbies — die nutteloze, lichtgevende bollen op hun borst zijn echt té belachelijk — in schooloutfit van Metronomy. Vorig jaar scharrelde de frontman zijn inspiratie bij elkaar om een album rond de Engelse zuidkust te maken. The English Riviera moest één van de betere zomerplaten worden, maar verdronk hopeloos in een te kleurrijk klankenpalet. Nights Out, de plaat daarvoor, daarentegen was wél een verzameling van geniale popnummers. Net die songs die de Britten de juiste weg insturen richting extase. Metronomy kleurt zodanig binnen de lijntjes dat we haast claustrofobisch worden in dit beperkte maar dansbare universum. Toch vreemd hoe die domme synthdeuntjes zo aanstekelijk werken, in combinatie met een onstuimige baslijn die zich doorheen het elektronisch geweld ploetert. Ons hoogtepunt? “Heartbreaker”: hét excuus om ongestoord de foutste robotmoves uit te testen.

Ligt het aan onze ongure tronie? Aan de twee schoonheden waarmee we net staan te praten? Nog voor Public Enemy van start gaat, worden we al tweemaal aangesproken door bijzondere types “of we niets extra nodig hebben”. Neen, dank u. We kunnen ons immers geen drug voorstellen die deze treurnis meer draaglijk kan maken. Ooit was Public Enemy een belangrijke hiphopgroep; een mijlpaal. Vandaag horen we enkel dof gewauwel, ongerichte beats, en het “Don’t believe the hype” klinkt dan ook zelfbewust: deze keizer heeft echt geen kleren meer aan. Eigenlijk moest Public Enemy een nieuw hoofdstuk in ons handboek der nostalgie worden. Toch liever niet.

Dan liever de good vibes van Tokyo Ska Paradise, een half terrein verder. De Japanners hebben een abonnement op het festival, zo lijkt, en ook dit jaar zorgen ze weer voor heel wat vertier met hun bombastische interpretatie van het skagenre. Met toeters, bellers, en vooral een hilarisch in het rond zwaaiende trombone, bouwen ze het feestje dat Dour op dit moment nodig heeft.

Geen energie meer? Dat is buiten Blood Red Shoes gerekend. Laura-Mary Carter en Steven Ansell persen het publiek volledig uit. Met een verwoestend “Light It Up” wordt zelfs de passage van Cypress Hill enkele dagen geleden met de grond gelijk gemaakt. “Say Something Say Anything” speelt heerlijk met de luid-stil-luid-dynamiek, terwijl “You Bring Me Down” zorgt voor een hoge activiteitsgraad in de frontstage: de energie is gevonden en het publiek laat zich gewillig meevoeren in het misschien simplistisch, maar verdomd efficiënt rock-‘n-rollfeestje.

Er lopen hier genoeg vrouwen met snorren rond, maar die moeten allemaal onderdoen voor CocoRosie. Geen gekke decorstukken, geen “vrienden” die iets vaags meedoen; CocoRosie houdt het vandaag sober, met enkel een beatmaker/pianist en een vrouwelijke beatboxer. Meteen tekent de groep voor een momentje van verstilling op het anders drukke festival. In die uithoek die La Petite Maison dans la Prairie is, lijkt het tumult ver weg, terwijl een verknipt “Rainbowarriors” en een opgedreven “Beautiful Boys” passeren en tientallen koppeltjes dit blijkbaar als het ideale knuffelrockmoment van het festival zien. Het had niet gemoeten; plots missen wij ons lief verschrikkelijk. Doe dat in uw tent, verdorie.

We hadden de nodige voorzorgen genomen. Kort vooraleer we de Club Circuit Marquee een laatste keer zouden betreden, goten we nog snel een paar biertjes achterover. En dat allemaal uit vrees voor The Drums. Eén hit, een gitarist minder, nog een gitarist minder, en een drummer die de plaats van een gitarist in nam. The Drums doorgingen een kutjaar waarin ze ondanks alle ellende een heldenstatus kregen opgeplakt.

Voor velen was “Let’s Go Surfing” een openbaring: de opwindende riff, het springerig refrein én het Jommekeskapsel van Jonathan Pierce waren troeven die zo makkelijk werden uitgespeeld dat iedereen in de val trapte. Pierce is echter zanger noch performer; hij zwaait wat onwennig met zijn armen, als was het een tic nerveux. Zijn teksten spuwt hij als een stotteraar uit, zonder één nummer lang in de toon te blijven. Enkel gitarist Jacob Abraham blies leven in de band: zo fier als een kersverse moeder sprong hij vrolijk in het rond. Die Abraham staat tegenwoordig echter nutteloos te wezen achter twee synthesizers — het blijft een raadsel of die wel degelijk zijn aangesloten. Maar het probleem ligt vooraleer bij de formule van The Drums: ze dúrven niet afwijken van hun lijn. Ze moéten steeds dezelfde riff hanteren. Ze kúnnen niet anders. Met gevolgen: tegen het einde stonden wij en een paardenkop met enorme wallen naar het podium te staren. Dour eindigt in mineur, wij wensen The Drums een nekshot toe.

Op hetzelfde moment zorgt Balkanheld Shantel met zijn Bucovina Club Orkestar in een eivolle Dancehall voor een opzwepend gypsyfeestje. De band heeft niet veel nodig om de vlam in de pan te doen slaan en zorgde voor een eerste hoogtepunt door killersong “Disko Partizani” op een uitbundig publiek los te laten, dat de band zelf weet te verbazen door een afgewaaid stuk boom de tent in de sleuren en in de lucht te zwieren. Met een “Disko Boy” meteen erna barst een zwaar feestje los, dat eindigde met “Bucovina”. Of hoe Shantel er in slaagde niet heel Dour vroegtijdig naar Pendulum te doen afzakken.

Neen dan piikken we liver nog een stukje Hercules And Love Affair mee in La Petite Maison Dans La Prairie. Het bizarre collectief rond Andrew Butler laat ons voor een laatste keer de dansbeentjes bovenhalen voor een mix van strakke disco beats, meeslepende nu-house, opzwepende kreetjes, sterke songs en eigenlijk ook gewoon een samenraapsel van bandleden die het observeren meer dan waard zijn. Conclusie: wild, zeer wild dansen as if nobody’s watching.

En daarmee zat #Dour2011 er voor ons op. Doodgetwitterd, sufgefacebookt, en uitgemuziekt. Maar geloof ons, zelfs al had Dour verre van het sterkste programma, zat het weer vierkant tegen; het blijft een ervaring. Als het nog niet bestond; ze moesten het uitvinden.

Check ook de foto’s van wannabes.be

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 19 =