Brighton Rock




Hoezeer Graham Greene ook herinnerd zal worden voor
zijn spionageromans (‘The Quiet American’, ‘Our Man in Havana’),
zijn ultieme meesterwerk zal altijd ‘Brighton Rock’ blijven.
Geschreven in 1938, leverde Greene met zijn doorbraakboek niet
alleen een thriller af die de beginnende noir-traditie
anticipeerde, maar ook een verhandeling over de invloed van religie
op de jeugd van destijds. In 1947 volgde er een klassiek geworden
verfilming met Richard Attenborough in de hoofdrol, en nu waagt
Rowan Joffe, scenarist van ’28 Weeks Later’ en ‘The American’, zich
aan een nieuwe versie. Met gemengde resultaten: deze recentste
‘Brighton Rock’ is een stijl- een sfeervolle bedoening, maar gaat
voorbij aan veel van de complexiteiten van het boek, waardoor het
verhaal nooit echt sterk genoeg uit de verf komt.

Joffe situeert de plot voor de gelegenheid in 1964.
Terwijl de nationale jeugd rebelleert tegen het status quo, gokken
wordt gelegaliseerd en er een verhit debat ontstaat over het
afschaffen van de doodstraf, vechten twee rivaliserende bendes in
kuststad Brighton een gewelddadige machtsstrijd uit. In de loop
daarvan slaat Pinkie (Sam Riley) zijn rivaal Fred Hale de hersens
in met een steen onder de boardwalk aan het strand. Groot
probleem: Pinkie en zijn handlangers zijn gezien door Rose (Andrea
Riseborough), een onschuldig meisje dat als serveerster werkt voor
restauranthouder Ida (Helen Mirren). Pinkie besluit met Rose aan te
pappen om haar stilzwijgen te garanderen.

Niemand zal kunnen zeggen dat de makers van
‘Brighton Rock’ niet weten waar ze mee bezig zijn. Rowan Joffe
interpreteert het verhaal duidelijk als een film noir, en
stileert het dan ook navenant. Waar veel films hun visuele stijl
proberen weg te moffelen om niet in de weg van de plot te staan,
maakt Joffe er hier een punt van om de belichting en
camerabewegingen juist zo opvallend mogelijk te maken. Let op de
openingsscène, waarin een bendelid van Pinkie op de vlucht slaat
voor de mannen van concurrerende gangster Colleoni (Andy Serkis):
de voorgrond is duister, op de achtergrond zien we de regen vallen
tegen het licht van de straatlampen. In close-up komen de gezichten
van de personages uit het donker tevoorschijn. Of kijk eens naar de
montage van de beruchte moordscène: hoe Joffe op elke slag met de
steen wegcut naar iets in de omgeving. Dat zijn scènes die zichzelf
op visueel vlak duidelijk profileren, scènes die specifiek zeggen:
“kijk eens hoe knap ik in elkaar zit”, meer nog dan: “kijk eens wat
er hier gebeurt”. Normaal gezien zou ik twijfelachtig staan
tegenover een dergelijke aanpak – drijf dat te ver, en je eindigt
bij style over substance in de stijl van Brian De Palma op
zijn slechte dagen – maar het werkt. Joffe weet een knap evenwicht
te bewaren, waardoor hij protserigheid kan vermijden.

Het probleem met de film zit ergens anders. Joffe
besloot om de religieuze subtekst van Greene’s boek behoorlijk af
te zwakken, en dat laat een leemte achter bij de personages, die
nooit wordt opgevuld met iets anders. In het boek is Pinkie een
katholiek die continu rondloopt met het besef dat hij naar de hel
zal gaan en, misschien juist daardoor, met een zeker fatalisme door
het leven gaat. Waarom zou een mens moreel leven als hij toch niet
gered kan worden? Anderzijds is er Ida, die niet gelovig is, maar
wel moreel handelt, simpelweg vanuit haar persoonlijke gevoelens
over goed en kwaad. In zekere zin gaat de roman ‘Brighton Rock’
over de strijd tussen Pinkie en Ida om de ziel van Rose. In de film
zit die religieuze laag tot op zekere hoogte – ze wordt aangekaart,
maar nooit uitgediept. Nu heeft een film uiteraard niet de
verplichting om het bronmateriaal tot op de letter te volgen – in
tegendeel, dat ze veranderen zoveel ze willen – maar de centrale
metafoor en motivatie van een verhaal grotendeels wegnemen zonder
er iets anders voor in de plaats te zetten, dat is al wat
lastiger.

Zoals het is, blijft Pinkie in deze filmeditie een
raadsel zonder oplossing. En wat erger is, het wordt ook nooit
duidelijk waarom Rose op hem valt. Omdat ze zich verveelt,
veronderstel ik. Omdat ze wordt aangetrokken door het gevaar dat
Pinkie vertegenwoordigt. Maar haar motivaties blijven een beetje in
het ijle, waar ze veel specifieker gemaakt hadden kunnen worden
door het boek nauwer te volgen, of er een waardig equivalent voor
te vinden.

Dat alles neemt overigens niet weg dat ‘Brighton
Rock’ sowieso wel meeslepend blijft en dat er een paar zeer knappe
scènes in de prent zitten. Pinkie die Rose letterlijk wegkoopt bij
haar vader voor 150 pond, bijvoorbeeld. De scène met de honderden
vespa’s. Of de bittere epiloog (die overigens letterlijk de vorige
verfilming volgt, en dan ook op exact dezelfde manier afwijkt van
het boek). Op die momenten zie je het potentieel van ‘Brighton
Rock’, wat het natuurlijk ook weer eens zo jammer maakt dat dit
potentieel niet continu gerealiseerd wordt.

De acteerprestaties wisselen van niveau. Sam Riley
weet wel bedreigend over te komen als Pinkie, maar de menselijkheid
van het personage gaat voor een belangrijk deel verloren. Wat
minstens gedeeltelijk de schuld van het scenario is, maar door
Riley ook niet gecompenseerd wordt. Wie de originele film heeft
gezien, zal zijn herinneringen aan Richard Attenborough niet kunnen
afschudden. Andrea Riseborough is degelijk als Rose, maar het zijn
de oude rotten die de show stelen. Helen Mirren is een rots in de
branding als Ida en weet, zoals wel vaker, een fundamenteel fatsoen
naar haar rol te brengen. Andy Serkis speelt zijn gangster met een
olieachtige charme en geniet er zichtbaar van dat hij een keertje
zonder groen pak aan mag acteren, terwijl John Hurt zijn eigen
zielvolle zelf is in een bijrol als bookkeeper.

Er zit zoveel juist aan ‘Brighton Rock’ dat de
gebreken eens zo frustrerend zijn. Ik kan hem niet onverdeeld
aanraden, maar wees gerust: met al zijn fouten erbij, blijft hij
tien keer interessanter dan eender welke blockbuster die de zomer
van 2011 in onze zalen uitspuwt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + zeventien =