Matana Roberts :: Coin Coin, Chapter One :: Gens De Couleur Libres

Soms weet je genoeg na een paar seconden. Hier is dat het geval bij de rauwe saxschreeuw die “Rise” en het album inleidt en die meteen laat weten dat het menens is. Daarna wordt het een onvergelijkbare rit die Matana Roberts definitief op de kaart van de Groten zet. Dit eerste deel van wat uiteindelijk een 12-delige cyclus (!) zou moeten worden behoort nu al tot het beste wat 2011 in de aanbieding gaat hebben.

Roberts’ naam en reputatie doen al ruim een decennium de ronde, en onlangs werd haar Live In London nog onthaald op goede kritieken, maar nu het eerste deel van het totaalwerk waar ze al ruim vijf jaar mee bezig is eindelijk verschenen is, krijg je er pas echt een idee van hoe ambitieus en diepgaand de visie van deze artieste is. De helft van de twaalf delen zouden reeds opgenomen zijn, terwijl de overige delen al in kaart gebracht zijn. Als dit eerste deel een indicatie is, dan staat er nog veel moois te wachten. En vooral: we kunnen ons niet herinneren hoe lang het geleden is dat een artiest(e) zich aan zo’n project waagde. Jason Moran had een vaag vergelijkbaar ‘quilts’-project, waarmee hij in de Afro-Amerikaanse roots dook, maar bij Roberts is het verhalende en het genre-overschrijdende nog zoveel imposanter.

Het werk in een regel samenvatten is dan ook onbegonnen werk: het is een visie op de Afro-Amerikaanse geschiedenis, het is een familiekroniek (‘Coin Coin’ was de bijnaam van een voorouder van Roberts die slavin was in de 18e eeuw, maar zich vrij kon kopen en het uiteindelijk schopte tot grootgrondbezitter), maar ook een aanklacht en een persoonlijk exorcisme. Dat Roberts er in slaagt om zowel een universele boodschap als een intens persoonlijk verhaal mee te geven is misschien wel de grootste verdienste van dit werk, waarin (free) jazz, volksmuziek (gaande van spirituals tot slaapliedjes, blues, swing en gospel), de Bijbel, het veld en de orale verteltraditie allemaal ten dienste staan van een theatraal totaalwerk dat afwisselend bloedmooi, genadeloos, verwarrend en onwaarschijnlijk emotioneel is, een soort tegenhanger voor het literaire geschut van Toni Morrison.

Roberts heeft zich geen enkele keer ingehouden. Haar toon op de altsax — hard en vlak als ze krachtig blaast, een beetje neuzelend in kalme passages — doet herhaaldelijk denken aan die van Darius Jones, nog zo’n jonge artiest die zeer hedendaagse muziek maakt met traditionele ingrediënten. Roberts’ spel komt vanuit het hart en de onderbuik, wat zich vaak vertaalt in schijnbaar ongepolijste solo’s en instinctief voortbewegende stukken die — zoals in opener “Rise” — eigenlijk mooi aansluiten bij de fire music van de jaren zestig, met voorbeelden als Albert Ayler, Coltrane en Archie Shepp. Maar het is ook een collectieve klepper, want door het inschakelen van een 14-koppige band met saxofonisten, trompettisten, ‘prepared guitar’, viool, drums, bas, toetsen en zingende zaag, krijg je in “Rise” al een enorm verscheiden sound, die schippert tussen baldadige Mingus-achtige grooves en mysterieuze filmmuziek.

Het gaat er zo mogelijk nog rauwer aan toe als Roberts niet de sax maar de stem laat spreken. Het ontredderde geschreeuw aan het begin van “Pov Piti”, een verhaal over een kind dat beide ouders verliest aan yellow fever, is een van de ongemakkelijkste en meest pijnlijke luisterervaringen in tijden, een primal scream-sessie die door merg en been gaat. Indrukwekkend ook hoe het daarna evolueert naar een bezwerende mantra die de achtergrond vormt voor een eerste verhaal, dat door Roberts gebracht wordt met een kinderlijke onvoorspelbaarheid en kleurrijkheid. Voor deze ‘compositional sound language’ noteerde de artieste trouwens geen klassiek notatiesysteem, maar ook een grafische voorstellingswijze, wat de muzikanten meer vrijheid zou geven. Het zorgt er ook voor dat een heel mooie balans gevonden wordt tussen collectieve eenheid en improvisatie.

“Song For Eulalie” is ronduit majestues, vertrekkend van een donderend pianofiguur, aanleiding gevend tot een aaneenschakeling van blokken die aarzelt tussen momenten van pompende extase, fijngevoelige lyriek en verrassende eenvoud. Scharnierstuk “Libation For Mr. Brown: Bid Em In” biedt de luisteraar de kans om getuige te zijn van een slavenverkoop, gedrenkt in de blues en voorzien van een carnavaleske muzikale finale. Het emotionele en expressieve zwaartepunt is dan weer “I Am”, een spiegelbeeld voor “Pov Piti”, dat opnieuw gedomineerd wordt door een onthutsende vocale performance van Roberts. Na de vijftig voorgaande minuten zorgt dat ook voor een oplawaai die geen mens onbewogen kan laten. Het was — eerlijk is eerlijk — jaren geleden dat muziek ons nog eens zo hard door elkaar schudde, de temperatuur in huis zo drastisch deed zakken. Huiveringwekkend is het enige adjectief dat van toepassing is.

Afsluiter “How Much Would You Cost?”, opgedragen aan Roberts moeder, heeft dan weer de simpelheid en aandoenlijkheid van een kinderlied en rondt het eerste deel van deze overrompelende, en bij momenten schaamtelijke les af met een hoopvolle, levensomarmende boodschap: “I know how precious our lives can be / dedicate this moment to you and me / let’s dance / celebrate life”. Het is allemaal moeilijk te categoriseren omdat het op verschillende niveaus zorgt voor een rijke gelaagdheid: een geschiedenisles, een aanklacht, een persoonlijke verwerking, gegoten in free jazz maar ook zoveel meer dan dat. Op papier had dit een overambitieus project kunnen worden dat de luisteraar koud laat, maar dat het net zorgt voor een beklijvende totaalervaring van jewelste, is nog het strafst van al. Samenvatting voor wie enkel de korte versie wil: Gens de Couleur Libres is een zuivere kopstoot en een meesterwerk dat ongeduldig doet uitkijken naar de vervolgen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twaalf − 12 =