Panda Bear :: Tomboy

Paw Tracks, 2011
Konkurrent

Sinds enkele decennia vinden mensen steeds gemakkelijker de weg
naar (pseudo)psychologie en aanverwanten. Steek het op de
maatschappelijke evolutie met betrekking tot de algehele welvaart
of op de emotionele spankracht van de VijfTV-programmatie, maar
haast iedereen doet tegenwoordig vroeg of laat aan één of andere
vorm van soul searching: pubers, prille dertigers, vrouwen
en mannen in een midlifecrisis en iedereen daartussen. Voer voor
psychoanalytici aller landen – ja, die bestaan nog steeds! – zou je
kunnen denken en ook een discoursanalyse lijkt hier op zijn plaats.
Niets is echter minder waar. Noem mij gerust een pessimist, maar ik
vermoed dat het slechts weinigen gegeven is om zonder roze bril of
andere hulpstukken tot op de bodem van de eigen naakte ziel te
dalen, om aldaar als de stereotype Japanse toerist de ogen eens
goed de kost te geven. Zij die het toch aandurven, lijden dan ook
ongetwijfeld aan één van volgende kwalen: een overdreven
zelfzekerheid, een vergedreven vorm van masochisme of een bijzonder
sterke maag.

Van Panda Bear, Noah Lennox, vermoed ik het laatste,
al wil ik die discussie hier verder open laten. Het maakt me immers
weinig uit om welke reden hij die noodzaak heeft gevoeld. Ik wil
vooral luisteren naar wat het heeft opgeleverd. Opzwepend kan je
het resultaat moeilijk noemen, laat staan vrolijk. Het woord
briljant durf ik echter wel in de mond te nemen. In de veeleer
duistere hoekjes van ‘Tomboy’ wordt er een subtiel spel gespeeld
van close harmony en reverb, van weidse gitaren
en onder water gelopen drums en van pure popnummers en hun, euhm,
niet zo pure uitvoeringen. Echo’s van Lennox’ oudere werk bij
Animal Collective, alsook usual suspects Brian Wilson en zijn
Beach Boys waaien over een landschap dat daarnaast vooral
onbeschrijfelijk is. In het universum van Panda Bear schieten
woorden namelijk te kort. Eigenlijk kan je het prima vergelijken
met iets als Disneyland: je kan kinderen erover vertellen, daarbij
eventueel gebruikmakend van reclamefilmpjes en ander
promomateriaal, maar pas wanneer zij daadwerkelijk de drempel tot
het park gepasseerd zijn, kunnen zij voor het eerst proeven van de
tastbaar gemaakte magie.

Het album laat zich overigens nog het best als geheel
beluisteren. Je kan gerust stellen dat ‘You Can Count On Me’ de
plaat op een haast lieflijke wijze opent en dat pas van bij de
titeltrack de echte teneur ervan duidelijk wordt. Je kan ook
beweren dat ‘Drone’ vooral fungeert als een laatste poging om
hoopvol uit de hoek te komen, om met zijn opvolger ‘Alsatian Darn’
tot bij het emotionele hart te komen. En je kan van eender welk
nummer beweren dat het het mooiste is. Maar pas als je ettelijke
malen de hele rit hebt uitgereden, kan je beginnen met het naar
waarde schatten van de ervaring die ‘Tomboy’ heet. Enkel zo kan je
de juiste toon vatten en deze voldoende kaderen – elke luisterbeurt
wordt die trouwens zwarter en grimmiger. Enkel zo kan je dichter
bij de haast paradoxale schoonheid komen die het album in zich
draagt.

De vergelijking met het alom doodgeknuffelde ‘Person Pitch‘ wil ik
tot slot niet maken, wegens totaal onmogelijk en dus misplaatst –
dat van die appelen en peren, weet u wel? Kennis en enige
affiniteit met Panda Bears vorige is dan ook geen vereiste, noch
een garantie voor een onmiddellijke appreciatie van ‘Tomboy’. Ieder
die toch de moeite wil doen om meermaals in Noah Lennox’ donkerste
hoekjes te gaan rondsnuffelen, wil ik bij deze dan ook waarschuwen:
deze reis maak je best alleen en op je eigen tempo. Maar weet
vooral dat je voor je geduld heel wat terugkrijgt. Want onder de
vele zompige moerassen en dicht op elkaar geweven draden van
geluid, liggen universele poppareltjes verstopt, die wellicht
zonder enige moeite de grenzen van de tijd zullen weten te
overstijgen. Noem het een oude ziel in een jong lichaam. Of zoiets.
En zo zijn we weer waar we begonnen zijn.

http://www.myspace.com/pandabear

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 7 =