Smith Westerns :: Dye It Blonde

“Generatie X”, “Generatie Y”, “De Digitale Generatie”… als het aan de trendwatchers lag, veranderde de jeugd elke tien jaar volledig van aard. Onzin natuurlijk: jong zijn is van alle tijden. En dus kan het perfect dat Smith Westerns de hedendaagse jeugd bezingt op muziek die veertig jaar geleden zo onze ouders aan het dansen had gekregen.

Want erg vernieuwend is het allemaal niet, wat dit Amerikaanse viertal u voorschotelt: het jaar is zo ongeveer 1973, de setting een Londense club waar Marc Bolan en Mott The Hoople vaste gasten zijn. Anderhalf jaar na hun prettig rammelende debuut hebben de heren van het Fat Possumlabel immers een budget gekregen dat hen in staat stelt om hun muziek in al zijn aanstekelijkheid te laten schitteren en dat vertaalt zich in een set sterke popsongs.

Dat kunnen ze immers: straffe melodieën schrijven. Alles op Dye It Blonde zingt, heeft een sierlijkheid die we in hedendaagse pop veel te weinig meer horen. Het zelfvertrouwen spat uit de boxen wanneer zanger Cullen Omori over een stampende beat en huppelende piano “Everybody wants to be a star on a Saturday night” zingt. Het is glamrock van de bovenste plank, die waar ook Ziggy Stardust mag rusten; jeugdigheid die het jong zijn met wild enthousiasme omarmt, en een toekomst vol mogelijkheden viert.

“I wanna grow old before I grow up / I wanna die with my chin up”: “All Die Young” is een popsong als een beginselverklaring, een uitbundig vieren van het nu. Muzikaal is het een onwaarschijnlijke constructie van een zweverige aanloop met een euforisch refrein, die dankzij een briljant bruggetje toch naadloos met elkaar worden verbonden. Het is vier minuten lang vroeg lente; goed om de autoradio minstens een paar tikken luider te zetten. Anders is de rechttoe rechtaan huppelende dansbeat van — jawel — “Dance Away” of de upbeat pop van single “Weekend”, die meteen wordt gecounterd door “Still New”, het gevoel van een landerige zomerdag verklankt in één brok zaligheid.

Soms wordt de grens met de pastiche dun. “Imagine Pt. 3” is meer Mott The Hoople dan Mott The Hoople zelf. Paarse olifantenpijpen, passerende hashpijpen en patchouli: de geur van de vroege seventies toen kleur en verbeelding een weg uit de verveling waren. Het geeft niet. Let immers op dat geweldige spurtje net voor het einde: een mooi orgelpuntje, net voor het echte orgeltje van “All Die Young” begint.

Is dit schaamteloos retro? Niet meer dan het garagegeluid van The White Stripes dat was, of hoe Muse Queen heruitvindt. We beseffen het nu pas, nu we er door Smith Westerns aan herinnerd worden, maar deze wereld heeft al weer lang nood aan een brok glamrock die pure onschuld in de ogen heeft en van het leven gewoon een feest wil maken. De zomer heeft nu al zijn soundtrack gevonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + zeventien =