Iron & Wine :: Kiss Each Other Clean

Het komt wel vaker voor dat artiesten die naam maakten met hun solo-optredens en platen opeens een hele band achter zich scharen. Vaak naar eigen zeggen omdat het altijd al de bedoeling was om de nummers met een volwaardige band te brengen maar het kostenplaatje daarvoor te hoog lag. De meerwaarde ervan is evenwel net zo vaak ver te zoeken.

Iron & Wine’s The Shepherd’s Dog uit 2007 was echter andere koek. Na twee albums die uitblonken in soberheid koos Sam Beam (het gezicht achter de band) voor een meer uitgesproken geluid en voorzichtige arrangementen die verschillende songs naar een hoger niveau tilden. Maar spaarzaamheid primeerde nog steeds boven alles, de breuk met de eerste albums was nauwelijks waar te nemen. In die optiek mag Kiss Each Other Clean dan ook als een kleine aardschok worden ervaren. De rijke arrangementen, de songstructuren en zelfs een vollere manier van zingen, maken van Kiss Each Other Clean een heel andere plaat.

Beam zelf omschrijft het album als zijn seventies-plaat, wat gezien het gestoei met funky ritmes en jazzy ondertonen niet ver bezijden de waarheid is. Toch impliceert dit niet dat Kiss Each Other Clean zichzelf verliest in vaselinejazz of progressieve wereldmuziek voor vrouwen van middelbare leeftijd in tuinbroeken. Beam weet perfect te balanceren tussen kunst en kitsch, zelfs al helt hij soms iets te veel over naar het laatste, zoals in "Me And Lazarus". Het zijn niet de funky baslijn of de uit de losse pols gebrachte drumslagen die de song het foute randje geven, maar wel de lullige blazers die op het einde mee komen feesten en zonodig het geheel richting flauwe acid jazz moeten escorteren.

Dan liever het breed uitgesponnen "Your Fake Name Is Good Enough For Me" dat zich ontpopt tot een monstersong uit de jaren zeventig en schaamteloos flirt met pop, jazz, funk en soul. Op papier leest het als een overvloed aan ideeën, stijlen en allerhande uitstapjes maar een muzikale indigestie wordt het nooit, daarvoor houdt Beam de teugels te strak in de handen.

De andere songs op het album gaan zeker zo ver niet maar zoals de vooruitgeschoven single "Tree By The River" al aantoonde, is dit wel degelijk een nieuwe Iron & Wine. De ingrediënten op zich verschillen niet zo gek veel van de meer uitgebalanceerde songs op The Shepherd’s Dog maar de aanpak en manier van songschrijven is heel anders. Ditmaal geen folkarrangementen of singer-songwritermelodieën maar onvervalste popdeuntjes in een weelderig pak gestoken. Schaamteloos flirt "Walking Far From Home" met het betere progpopwerk, ingetogen maar ook exuberant en werelds.

Er zijn opnieuw genoeg pareltjes te rapen om van een doorslaand succes te spreken. De (pan)fluit in "Rabbit Will Run" klinkt als een even logische keuze als de marimba in "Uptown Monkey". Zelfs het op countryleest geschoeide en meest klassieke nummer "Half Moon" weet zich een houding te geven tussen beide songs, net zoals het ingetogen "Godless Brother In Love" zijn pathos-ondertoon weet te verzoenen met de stompende jazzfunk van "Big Burned Hand" en de seventies ballad die "Glad Man Singing" onbeschaamd wil zijn.

Het mag duidelijk zijn dat Kiss Each Other Clean niet het soort album is waarop de extra instrumenten het leidmotief wat extra in de verf zetten. Hier is elk arrangement doordacht en afgewogen, met als doel een heel ander type plaat te brengen. Het is een missie waar Sam Beam moeiteloos in geslaagd is. De enige dissonante noot die weerklinkt, is niet dat Iron & Wine opeens een andere band zou zijn maar wel dat de eenheid die de andere platen zo onweerstaanbaar maakte, ditmaal minder prominent aanwezig is. Een kritische voetnoot die de waarde van het album nauwelijks schaadt want met Kiss Each Other Clean heeft Beam bewezen zoveel meer te zijn dan een getalenteerde fluisteraar.

Iron & Wine speelt op 16 februari in de AB.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − 12 =