Destroyer :: Kaputt

Tabula rasa; met een schone lei beginnen om vervolgens muziek te maken die geluiden uit een donkere, onwelriekende hoek van de muziekgeschiedenis oproept en elk weldenkend mens direct maagzweren bezorgt. Op Kaputt doet Destroyer, né Dan Bejar, het zonder verpinken. En weet u wat? We zijn er dol op.

Toegegeven, het was even slikken toen we voor het eerst die flinterdunne drum, akoestische gitaar en borrelende synthesizer het zweverige poppareltje "Chinatown" hoorden openen. Dan Bejars atypisch flegmatische zang, een hijgende achtergrondzangeres die hem komt vervoegen en dan plots, een smeuïge saxofoon recht uit de goorste bar van een of andere donkere achtersteeg, alsof een dertig jaar oude plaat in de lokale kringloopwinkel van onder het stof gehaald werd voor een heruitgave. Het is, om het eufemistisch uit te drukken, een gedurfde keuze van Bejar. Destroyers muziek wordt vaak vergeleken met de folk en glam van Bowie en Bolan uit het begin van de jaren ’70, iets wat niet enkel in het steengoede Destroyer’s Rubies, maar ook in de heerlijke powerpopballades van voltijds zijproject The New Pornographers terug te vinden is. Nu kiest hij er echter resoluut voor een andere kant van die eclectische muziekjaren te belichten: Kaputt bulkt van de acidjazzfreakouts en andere toeren met blaasinstrumenten, glimmende discobaslijnen, Steely Dan’s cynische studiorock, Spaanse gitaren en suikerige popmelodieën.

Kaputt is alles wat Bejars rockvoorbeelden en de generatie van de Sex Pistols verguisden, zonder enig spoor van ironie als een badge trots op de borst gespeld. Elk genre dat doorgaans als "fout" kan worden gedefinieerd in de context van de Amerikaanse popgeschiedenis, passeert dus onverwijld de revue. Dat lijkt een gimmick, maar is het allesbehalve: Bejar smijt de deur richting de eigen veilige haven van zijn oeuvre bruusk achter zich dicht, en eigent zich een compleet nieuw muzikaal vocabulaire toe, alsof hij niet zomaar een verstokte retroadept is, maar schijnbaar ook ooit nog in een ander leven twee weken lang in een plakkerige zomer, misschien die van ’79, de Billboard top 100 aanvoerde. Om maar te zeggen: we geloven hem.

Dat de nieuwe bouwstenen voor zijn escapade uit het middenveld tussen Prefab Sprout, Steely Dan en de drekkige schmalz van Adolf H.-met-krullen Kenny G komen, lijkt ook niet meer dan toepasselijk voor een plaat die het (muzikale) jaar des Heren 2011 opent. Want net als in de crisisjaren tussen grofweg 1975 en 1985, waar de plaat de mosterd haalde, heerst een sentiment in de maatschappij — en in de deuntjes waarop ze begeleid wordt — van hedonisme tegen elke kost, om de kater van de ontgoocheling weg te kunnen drinken. "I wrote a song for America … who knew?", sneert Bejar in de titeltrack, voor een dromerige saxofoonsolo je meesleurt in een roes waar je niet meer uit ontwaken wilt. "Wasting your days chasing some girls all right/, chasing cocaine to the backrooms of the world all night", is de vocale hook die het nummer op gang trekt, en het vat alles perfect samen: waarom jagen we immers meer wit poeder door onze neus dan in een gemiddelde Oliver Stone-film, anders dan om te ontsnappen aan de realiteit? Niet gevreesd: Bejar gebruikt de muziek gelukkig niet alleen om een maatschappelijk relevant punt te maken, maar hij snapt wel dat het een uitstekende kapstok is om ook zijn eigen ontgoocheling en vervreemding aan op te hangen. Om te ontsnappen; in zijn geval, aan de alternatieve rockscene die hem schijnbaar niet meer kan boeien.

De ennui waarin hij zich wentelt, leek aanvankelijk weer een trucje om ons de kast op te jagen: elke Destroyer-plaat kan een deels tenenkrommende affaire zijn, van de belachelijk theatrale MIDI-orkestratie op Your Blues tot de "rockende" varkenskwelerij op Trouble In Dreams. In een interview verklaarde Bejar bovendien dat een groot deel van zijn zoals gewoonlijk summiere, eindeloos met referenties beladen teksten liggend werden ingezongen. Zoiets klinkt verdomd arrogant (en is het ook), maar de ongewoon zijdezachte vocalen maken de nummers gewoon beter. Luister maar naar het dansbare "Savage Night At The Opera", met zijn stevige funkbackbeat en zeperige synths recht uit Duran Durans Rio: het nummer schuift heupwiegend vooruit, maar Bejars zwoele zang en ge-"badadadah" brengt het zaakje stilaan tot sudderen, en wanneer hij je "To set the loop and then go wild!" in het oor fluistert, kan je niet anders dan op de doorslechte gitaarsolo de benen losgooien. Of neem "Suicide Demo for Kara Walker", waarin hij willekeurig tekstflarden opdreunt over zwarte onderdrukking en identiteit die de gelijknamige Afro-Amerikaanse kunstenares hem doorgaf, maar net door er schijnbaar geen moeite in te steken, klinkt het net dat beetje beter en geloofwaardiger dan mocht hij het Chuck D-gewijs staan declameren. De ontgoocheling die hij in zijn stem legt, spreekt meer dan boekdelen.

De reden waarom Bejar met dat soort arrogantie en "slechte smaak" uiteindelijk wegkomt, is doodsimpel: de songs, alle negen exemplaren, zijn van onvervalste wereldklasse, en misschien wel zijn beste tot nu toe. Akkoord, niet iedereen is dit soort muziek genegen, maar er valt zoveel te bewonderen in ’s mans nummers, hun oorwurmkwaliteit en hun eindeloze details. Sinds Kaputt in de nadagen van 2010 werd gelekt, viel er bij elke luisterbeurt onder die verrassende muzikale laag een nieuw, heerlijk detail te ontwaren, een nieuwe wending te ontdekken en een nieuw nummer om kinderlijk mee te brullen. "Suicide Demo" heeft een klankenbord dat gevarieerd genoeg is om vijf nummers te vullen, van zijn dramatische new age ambient over die (re)laxerende rietblazersolo naar een heerlijk caleidoscopisch disconummer met een slot waarin alles samenkomt in een jazzy finale. En dan hebben nog niets over het nummer zelf gezegd. Ook "Poor In Love", een symfonische bekentenis over gefaalde liefde en vervreemding, en "Blue Eyes", de beste popsingle van de hoop, zijn om in te kaderen.

Na de cocaïnekoortsdroom van single "Kaputt" beëindigt het funkier werk de plaat, met een "Song For America" dat met zijn echoënde gitaarklanken en blazers net zo goed een beschonken B-kantje van Steely Dans Gaucho had kunnen zijn. De cynische teksten van Fagen en Becker krijgen er in ieder geval concurrentie bij. Het dromerige "Downtown" ten slotte, met zijn droge maar kwikzilveren baslijn en elektronische toets, is een perfect nummer om de bar mee te sluiten. En dan is er nog het buitenbeentje van de plaat: "Bay Of Pigs" — dat twee jaar geleden al als single verscheen en mee Bejars muzikale ommezwaai hielp inluiden — begint in een waas van ambient en mist in een verafgelegen haven, tot halverwege het nummer uit de hemel plots een discobal neerdaalt, een Spaanse gitaar een serenade aanheft en de droge steken van een synthesizer de mist doen opklaren en de avond feestend afsluiten. Het is Tom Waits’ Closing Time vijf jaar later, terwijl de boel in Studio 54 stilgelegd wordt bij het ochtendgloren; wanneer het catchy refrein voorbijdendert, wil je alle dertien minuten zo snel mogelijk opnieuw beleven. Heerlijk.

De conclusie? Destroyers nieuwe is helemaal geen slechte grap, en veel meer dan zomaar een gewaagde zijsprong. Kaputt wentelt zich in de escapistische muziek van de jaren ’70 om zowel een liefdesbrief eraan af te leveren als er tegen te ageren. Ondertussen levert Bejar ook nog eens negen parels van nummers af die langzaam maar zeker binnensluipen, het licht in je hoofd dimmen en aangenaam tegen je aanschurken op de sofa. Geef Kaputt tijd — misschien een klein half jaar, indien nodig — en we spreken mekaar wel rond midden december. Wedden dat ook u tegen dan lichtjes staat te wiegen op dit meesterwerkje?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − 1 =