Gregg Allman :: Low Country Blues

Het moet een snikhete nacht geweest zijn, toen twee jonge broers
uit Florida het krakende signaal van WLAX ontvingen, de
legendarische jaren ’50 blueszender van de East Coast. Urenlang
hadden ze gewacht tot de andere kanalen stopten met uitzenden, maar
nu was het moment eindelijk aangebroken. Met open mond luisterden
ze hoe Howlin’ Wolf, B.B. King en Muddy Waters, in hun jeugdige
ogen nobele onbekenden, een nieuwe wereld, waarin ze liefde maar
vooral leed bezongen, lieten opengaan: het tweetal had zijn
levensmissie gekozen.

En nu, meer dan een halve eeuw na die bewuste avond, keert Gregg
Allman terug; niet alleen door zijn eerste soloplaat in niet minder
dan 14 jaar uit te brengen, maar ook naar zijn eigen roots: ‘Low
Country Blues’ is een ode aan de giganten die hem destijds
inspireerden. Moest u het voorafgaande verhaal aan deze retour niet
kennen, we hadden het daarjuist weldegelijk over the Allman
Brothers, stichters van de gelijknamige Band die met Southern
Rock-parels als ‘Midnight Rider’ en ‘Ramblin’ Man’ de gekrenkte
muzikale trots van menig patriot herstelden na de British
Invasion
. Of de makers van het honingzoete, tot Top Gear-intro
gepimpte ‘Jessica’, als u dat meer zegt.

Tel daarbij nog eens dat achter het glas de grootmeester van de
hedendaagse americana zelve zit, mr. T Bone Bunett, en u begrijpt
waarom niet alleen ondertekende halsreikend uitkeek naar de release
van deze plaat. Met helaas iets te hoge verwachtingen, zo
blijkt.

Er wordt nochtans een droomstart genomen: akoestische bas, echo en
reverb, die samen niet toevallig het kenmerkende geluid van de
producer vormen, voegen aan ‘Floating Bridge’ van Sleepy John Estes
een stevige scheut mojo toe, terwijl Allman “Five minutes under
water I was hid” huilt, alsof hijzelf degene was die net aan de
verdrinkingsdood ontsnapte. We voelen ons meteen waden door een
moeras uit het in de titel bezongen laagland!

Terwijl de tand des tijds geen genade schonk aan de ooit machtige
bariton van Johnny Cash, klinkt Allmans stem dezer dagen nog even
krachtig als in zijn beginperiode. Als een oude topwijn is ze
alleen maar charismatischer geworden tijdens het rijpingsproces van
zijn beproefde leven. Ze leent zich dan ook perfect voor het
breekbare ‘Devil Got My Woman’, waarbij de zompige delta blues van
Skip James wordt opgeschrikt door een zwaar knocking on the
backdoor
ritme, en de invallende fuzz van Doyle
Bramhall II schreeuwt uit wanhoop. Deze laatste speelt vervolgens
een heerlijk vuile slideguitar op ‘I Can’t Be Satisfied’, het slijk
van de Mississippi (waar Muddy Waters het nummer schreef) kleeft
nog onder zijn nagels, zo lijkt wel.

Ineens besluit T Bone om een ietwat te dominante blazerssectie zijn
intrede te laten doen op ‘Blind Man’, en die is niet van plan
direct weer te vertrekken. U raadt het al, liefhebbers van roestige
dobroklanken (bij voorkeur in een smerige, bruine kroeg
vol rookwolken en whisky) zullen niet wild worden van deze
bijdrage: Burnett schuurt af met fijne korrel en legt meerdere
lagen vernis.

Wat volgt zijn subliem uitgevoerde, soulvolle covers (enkel ‘Just
Another Rider’ is van Allmans hand), maar het gebrek aan variatie,
zowel in het repertoire als qua sfeer, maakt de tweede helft van
het album een stuk minder boeiend. Zo is het matige ‘My Love Is
Your Love’ niet te redden door de tevergeefs toegevoegde backing
vocals, maar de warmte van een knusse woonkamerjam blijft
behouden.

Wanneer onze aandacht dan toch opnieuw wordt getrokken door het
loden gedreun van drummer Jay Bellerose op de traditional
‘Rolling Stone’, dan is het doek al aan het vallen. Het is de
terugkeer van de groove die ons in het begin bij het nekvel had
gegrepen, maar dan wel in de stijl van de NMBS: met een klein
halfuur vertraging.

De persoonlijke hommage van ongetwijfeld één van de sterkste
zangers aller tijden, begeleid door een groep rasmuzikanten onder
een waakzaam kennersoog: het had een absoluut meesterwerk kunnen
worden. Alas, het lijkt wel of Burnett teveel zijn best heeft
gedaan. Had hij zoals bij ‘Raising Sand‘ van
Robert Plant en Alison Krauss met fijne penseelstreken
geaccentueerd, in plaats van een groot deel van de plaat onder te
dompelen in zijn verfpot van arrangementen, dan was het geheel
waarschijnlijk meer genietbaar geweest. Dit neemt niet weg dat ‘Low
Country Blues’ binnen het door zijn Band overschaduwde solowerk van
Gregg Allman een mijlpaal, wie weet zelfs zijn opus magnum genoemd
mag worden: de nachtelijke ruiter bewijst nog lang niet uitgezongen
te zijn.

Een toegankelijke weg naar Terra Incognita of the Blues, of een
ontroerende verzameling gepolijste standaarden voor de reiziger die
alle crossroads al bewandelde: het zal van u afhangen.
May the Midnight Rider ride long.

http://www.greggallman.com

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + negentien =