Henry Threadgill Zooid :: This Brings Us To, Volume II

In de jazz worden blazers misschien wat snel ‘uitzonderlijk’ genoemd, zeker als hun geluid wat rauwer, schriller of verfijnder is dan dat van de collega’s. Vaak is dat echter ook het enige wat zo iemand echt onderscheidt van die collega’s. De figuren die werkelijk uniek zijn behoren tot een kleine minderheid. Dat Henry Threadgill aanspraak kan maken op dat label bewijst hij met elk album. Zijn recentste werk toont dat er na vier decennia nog geen sleet zit op ’s mans idiosyncratische aanpak.

Threadgill behoort tot een generatie die vaak over het hoofd wordt gezien. Hij maakte zijn eerste platen in de jaren zeventig en een deel van zijn beste werk verscheen in de jaren tachtig, twee decennia die wat stiefmoederlijk behandeld worden: heruitgaven richten zich immers op de klassieke jazzperiode (pakweg 1950-1965) en wat in de jaren zeventig gebeurde, wordt al te vaak beschouwd als een minder boeiende uitloper van de opwindende jaren zestig. Nochtans maakte Threadgill met Air enkele klassieke freejazzalbums en liet hij constant experimenten horen die de vandaag de dag nog bijzonder actueel klinken. Een constante in zijn wereld is het gebruik van vreemde bezettingen en ongewone instrumenten. Zo plaatste hij binnen het X-75-project vier blazers plaatsen tegenover vier (!) bassisten, had zijn gerenommeerde Very Very Circus twee tubaspelers in zijn rangen en zou hij later ook in de weer zijn met accordeon, cello, fluit en viool.

Ook zijn huidige project Zooid, intussen al zijn langst lopende, klinkt ondanks de kleine bezetting niet alledaags. Naast Threadgill (fluit en altsax) heb je nog gitarist Liberty Ellman (vroeger al sterk aan de zijde van Vijay Iyer en, eerder dit jaar nog, Steve Lehman & Rudresh Mahanthappa), basgitarist Stomu Takeishi, drummer Elliot Humberto Kavee en trombonist/tubaspeler Jose Davila. Vooral die laatste zorgt voor een apart groepsgeluid. Als zijn ultrawendbare trombonesolo’s (zoals in opener “Lying Eyes”) al opmerkelijk zijn, maar nog conventioneel, dan is het pompommende van zo’n tuba iets dat je zelden te horen krijgt binnen de jazz. Bij een minder begaafde band zou je meteen opgescheept zitten met een fikse dosis klassiek of kamerhoempapa, maar dit kwintet wringt zich zo virtuoos en met schijnbaar gemak in allerlei bochten, dat zijn sound en stijl erg moeilijk uit te leggen valt.

Een en ander zal vast te maken hebben met Threadgills aanpak van de zogenaamde ‘intervalblokken’, waarbij telkens een muzikant de gelegenheid krijgt om binnen een toegewezen blok vrij aan de slag te gaan. Dat kan door melodieën te improviseren en/of af te zetten tegen het groepsspel, door met diezelfde groep in dialoog te gaan, en dat zonder steeds terug te vallen op klassieke akkoordenreeksen en gemeenplaatsen. Het lijkt op papier nog aan te sluiten bij de regelloze free jazz zoals die bij velen bekend is, maar deze band slaagt er in om die soms gemakzuchtige valkuilen te ontwijken, met een stijl die je enkel kan vergelijken met die van Steve Lehmans bands. Het gaat er hier minder strak aan toe — integendeel, het klinkt allemaal erg spontaan en soms vrij groovy — maar je hebt ook die vreemde, ongrijpbare ritmes, vervliegende mooie melodieën en merkwaardige collectieve sound. Plus Threadgills saxspel heeft soms ook iets van Lehmans hoekigheid — al loopt de invloed veeleer in omgekeerde richting.

De opnames dateren van dezelfde periode als die van het vorig jaar verschenen Volume I en dit album is dan ook het tweede deel van iets dat als een geheel beschouwd moet worden. De twee delen zouden ook overeenkomen met de twee sets die gespeeld werden tijdens de tournee die aan de opnames voorafging. Er zit natuurlijk jazz in, maar je vindt ook vage hints naar een klassieke traditie, nu en dan schuifelt het naar de kamerjazz (“Lying Eyes”) of meer ‘klassieke’ free jazz met bluesy gesoleer (“It Never Moved”) en in het kriegelende gitaarspel van Ellman ontwaar je soms Afrikaanse en/of Spaanse invloeden. Gaat het er nu eens erg lyrisch aan toe (“Polymorph”), dan lijken andere stukken ronduit raadselachtig of erg speels, wat vaak te maken heeft met de inspiratie van het moment. Zo is het mooi om te horen hoe Takeishi zijn akoestische basgitaar haast inzet als rammelend percussie-instrument in “This Brings Us To”.

Zelden krijg je albums te horen die zo bevlogen de grens tussen toegankelijkheid en vervreemding bewandelen. Je hoort de muzikanten voortdurend rond het bekende slalommen, zonder dat ze daarbij zelf een tactiek hanteren om luisteraars af te schrikken of te lijmen. Met Zooid klinkt Threadgill meer dan ooit alsof hij volledig zijn ding kan doen, en de muziek zal binnen twintig jaar vermoedelijk nog altijd even bijzonder zal klinken. Sui generis, heet dat dan. This Brings Us To, Volume II laat horen dat Pi Recordings, het label dat in 2001 van start ging met de eerste twee Zooid-releases, zijn indrukwekkende niveau blijft aanhouden en opnieuw een van de opmerkelijkste avant-jazzalbums van het jaar uitbrengt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × twee =