Monsieur Klein




123 min. / F /
1976

Toen ik enkele jaren geleden ‘The Crying of Lot 49’ van Thomas
Pynchon las, dacht ik ergens halverwege: dit moet gewoon verfilmd
worden. ‘The Crying of Lot 49’ is een Amerikaanse roman uit 1966,
een detectiveroman, maar dan wel het type dat breekt met alle
regeltjes die aan detectiveromans eigen zijn. Niet alleen is de
detective in kwestie een vrouw, maar – en dit vond ik destijds
ronduit verbluffend – ze slaagt er ook niet in om de antwoorden te
vinden op haar eigen vragen. Zij is geen Hercule Poirot, die aan
het eind van het verhaal even netjes uit de doeken doet hoe het
allemaal precies in zijn werk is gegaan, wie de dader is en waarom
de moord werd gepleegd. Nee, Oedipa Maas – zo heet de detective –
loopt verloren in de chaos van aanwijzingen die ze tijdens haar
zoektocht vindt. Ze ontdekt boodschappen, symbolen en tekens, maar
weet niet hoe ze die de juiste betekenis kan toekennen. Een
detective die het spoor compleet bijster raakt, die zichzelf
zodanig fixeert op zijn onderzoek dat hij paranoïde wordt – geef
toe, als je dat leest in een synopsis, dan wil je toch gewoon naar
de cinema rennen. Nou ja, ik toch.

Misschien had Joseph Losey ook het boek van Pynchon gelezen toen
hij in 1976 ‘Monsieur Klein’ regisseerde. Misschien ook niet, wie
zal het zeggen? Maar wat ik zo fascinerend vond aan ‘The Crying of
Lot 49’, vind ik helemaal terug in ‘Monsieur Klein’. Het draait
niet om de uiteindelijk oplossing van het mysterie, nee, het draait
enkel en alleen om het mysterie zelf. “The chase is better than
the catch”:
het wordt ook hier bewezen. Natuurlijk, ik kan me
voorstellen dat velen het enorm frustrerend zouden vinden als je
aan het eind geen antwoord krijgt op de vragen die de basis vormen
van de film. Maar geloof me vrij, het einde van ‘Monsieur Klein’ is
perfect bevredigend, het geeft me elke keer weer kippenvel, het is
zelfs de enige manier waarop het verhaal kan aflopen. Dat je
uiteindelijk nu ook niet zó veel wijzer bent geworden, kijk je dan
al snel door de vingers.

Maar goed, laat ons beginnen bij het begin. ‘Monsieur Klein’
speelt zich af in Frankrijk ten tijde van de Tweede Wereldoorlog,
een zwarte bladzijde in de Franse geschiedenis. Onder leiding van
maarschalk Philippe Pétain had de Franse staat immers besloten om
samen te werken met de fascisten, waardoor het land bijna net zo
afkerig stond tegenover de Joodse bevolking als Duitsland of
Italië. Het is een tijd waarin Joden slechts één keuze hadden: hun
inboedel verkopen en zo snel mogelijk het land uitvluchten. De
Parijse kunsthandelaar Robert Klein (Alain Delon) trekt het zich
allemaal niet te veel aan. Integendeel, hij koopt de kunstcollectie
over van de vluchtende Joden en houdt op die manier zijn zaakjes
meer dan ooit draaiende. Zijn appartement is een schatkamer vol
antieke schilderijen en protserige beelden – allemaal peperduur
natuurlijk, maar aangeschaft voor een prikje. Klein is een
gewetensloze opportunist, een parasiet, die zichzelf verrijkt ten
nadele van een hele onderdrukte bevolkingsgroep. Maar net wanneer
hij een van zijn beste deals heeft afgesloten, vindt hij voor zijn
voordeur een Joodse krant, geadresseerd op zijn naam. Een
wansmakelijke grap? Een jammerlijk misverstand? Een Jood met wie
hij nog een rekening had openstaan? Hoe het ook zij, Klein moet
hemel en aarde bewegen om de autoriteiten ervan te overtuigen dat
hij geen enkele affiniteit heeft met het Jodendom. Maar hoe bewijs
je zoiets in godsnaam? Nog complexer wordt het wanneer blijkt dat
hij in Parijs een naamgenoot heeft rondlopen die naar verluidt
sprekend op hem lijkt. Een Joodse dubbelganger.

Ondanks de periode waarin het verhaal zich afspeelt, is
‘Monsieur Klein’ geen oorlogsfilm pur sang. De verwijzingen naar de
oorlogstoestand zijn veelvuldig, maar Losey kiest bewust voor een
verhaal op microniveau: het mysterie tussen Robert Klein en zijn
vermeende dubbelganger. Klein is de Oedipa Maas van de film: een
doodgewone burger die noodgedwongen de rol van detective moet
opnemen. Op het eerste zicht is hij een betere detective, omdat hij
steevast de indruk geeft zichzelf onder controle te hebben – al kan
dat ook te maken hebben met de typische flair waarmee Delon het
hoofdpersonage vertolkt. Een beetje zoals in ‘Le Samourai’ en
‘Plein Soleil’: cool, sereen, strak in het pak en nooit
over zijn woorden struikelend. Maar ook Klein komt in zijn
zoektocht naar zijn dubbelganger altijd weer een stap te laat,
waardoor hij het slechts moet stellen met aanwijzingen: een brief,
een paar witte laarsjes, een muziekpartituur en een meisje dat
meermaals van naam verandert. Wat evenmin helpt, is dat de mensen
die hij op zijn onderzoek aantreft, steeds weer de indruk geven dat
ze meer weten dan hij zelf. Je zou voor minder paranoïde
worden.

Halverwege ‘Monsieur Klein’ heb je dan ook dezelfde
verwachtingen als in ‘The Crying of Lot 49’: dit komt niet goed. De
sfeer van de film is doordrenkt met een geheimzinnig fatalisme,
alsof Klein door hogere machten wordt verhinderd om zijn
dubbelganger te ontmoeten. Parijs, “de stad der romantiek”, heeft
er bovendien nog nooit zo grijs, zo levenloos, zo neerslachtig
uitgezien als in ‘Monsieur Klein’. Het doet me denken aan wat
Luchino Visconti doet met Venetië in ‘Morte a Venezia’: een in
wezen prachtige stad wordt weergegeven als een allerlaatste
aristocratisch bastion, omgeven door dood en verval. Maar daar waar
Visconti’s Aschenbach wordt afgestraft voor zijn streven naar de
absolute perfectie, in de vorm van een jonge blonde God, wordt
Klein afgestraft voor zijn onverschilligheid, zijn je m’en
foustisme
. Het is overigens niet moeilijk om het microverhaal
rond Monsieur Klein te beschouwen als een metafoor voor de
opportunistische houding van de Vichy-regering, die onder het motto
“if you can’t beat your enemies, just join them” gezellig
met de vijand meeheulde. Voor Losey, een Amerikaans regisseur die
wegens zijn communistische sympathieën zijn geboorteland moest
uitvluchten, was Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog geen haar
beter dan Duitsland of Italië. Voor de Fransen was ‘Monsieur Klein’
dan weer een film die ze zo snel mogelijk wilden vergeten, omdat
hij een slechte herinnering oprakelde. (Maar de film won wel drie
Césars, waaronder die voor beste film. Dat zegt ook wat.)

Anyway, ‘Monsieur Klein’ blijft een dikke dertig jaar
na datum overeind als een van de meest intrigerende films die ik
ooit gezien heb. Ondanks de iet of wat trage verhaalopbouw, zeker
in vergelijking met meer hedendaagse thrillers, blijf je twee uur
lang aan het scherm gekluisterd zitten, met het idee dat er nog
altijd vanalles kan gebeuren. Want dat is wat Loseys regie zo
fantastisch maakt: ‘Monsieur Klein’ is een film waarin altijd
vanalles kan gebeuren, waarin Klein ieder moment kan doorslaan,
waarin zelfs de mogelijkheid wordt geopperd dat Klein en zijn
dubbelganger een en dezelfde persoon zijn – het
unheimliche universum van Kafka is nooit veraf. Het enige
wat je misschien enigszins kan inschatten, is hoe het verhaal zal
eindigen. Maar het traject daar naartoe, is grillig, bij momenten
heel erg spannend en – vooral – onvergetelijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − 5 =