Les Valseuses




Je weet dat je naar een anti-establishmentfilm aan het kijken bent
wanneer de titel zich ruwweg laat vertalen als ‘De Ballen’. In 1974
maakte Bertrand Blier deze onbezorgd anarchistische komedie en
iedereen sprak er schande van: ongestraft asociaal gedrag en
criminaliteit, vrije liefde en lang haar, en het liep niet eens
allemaal slecht af. Nu, meer dan dertig jaar later, spreekt vrijwel
niemand er nog over – zo af en toe is de film nog eens te zien in
arthouse-bioscopen, als onderdeel van een Gérard
Depardieu-retrospectieve. De shockwaarde is al lang uitgedoofd.
Maar net zoals dat het geval is met veel films die destijds
choquerend waren en nu niet meer, krijg je iets veel interessanters
in de plaats: een tijdsdocument, een scherpzinnige blik op de
Franse maatschappij van de jaren zeventig en op de mentaliteit van
zowel de oudere als de jongere generatie. Schokkend is dit al lang
niet meer, maar fascinerend en geestig eens te meer.

Depardieu en Patrick Dewaere spelen Jean-Claude en Pierrot, twee
twintigers die doelloos door Frankrijk zwerven. Ze stelen auto’s en
motors om zich te verplaatsen, vallen aan de lopende band vrouwen
lastig en jatten alles dat ze maar vast kunnen krijgen om in hun
onderhoud te voorzien. Hun ontmoeting met twee vrouwen zal echter
hun leven veranderen: Marie-Ange (Miou-Miou) is een gewillige
ijskoningin die, ondanks de beste inspanningen van beide heren,
maar niet wil klaarkomen. En Jeanne Pirolle (Jeanne Moreau) is een
soortement moederfiguur die net uit de gevangenis is gekomen en
erin slaagt om eindelijk wat oprechte gevoelens bij de jongens los
te maken. (Ja, Jeanne Moreau was zelfs in de jaren zeventig al oud
genoeg om een moederfiguur voor Gérard Depardieu te zijn. Die dame
zal eeuwig leven, namelijk.)

De sociale visie van ‘Les Valseuses’ is eigenlijk vrij naïef, naar
hedendaagse standaards: de oudere generatie bestaat vrijwel
uitsluitend uit bekrompen burgermannetjes die Jean-Claude en
Pierrot toeschreeuwen dat ze dringend naar de kapper moeten. Van
die vreselijke gezinnetjes die elke zomer allemaal tesamen urenlang
in een hete auto kruipen om naar de zee te rijden en daar urenlang
op een heet strand te gaan liggen. Dàt soort mensen –
conventioneel, enggeestig, saai. Daar tegenover staan dan de twee
jongens, die geen enkele manoeuvreerruimte krijgen binnen die
samenleving: zij vertegenwoordigen de vrijheid, een leven zonder
regels. Uiteraard wordt dat niet geaccepteerd, en bijgevolg worden
ze buiten de maatschappij gesteld – criminelen, straattuig dat
eeuwig kan blijven rondrijden in de éne gestolen auto na de andere,
maar dat nooit ergens zal geraken.

In wezen geeft Blier ons hier een vaag-marxistische visie op de
wereld: we moeten allemaal leren om, net als Jean-Claude en
Pierrot, alles te delen met elkaar. Geen egoïsme, geen kapitalisme,
nee, wat van jou is, is van mij. Dus wie kan het dan wat schelen
waar je je auto vandaan hebt of wat je doet met het lief van iemand
anders? Die visie is, om het zacht uit te drukken, verouderd, maar
ze geeft nog altijd aanleiding tot een fantastisch komische film
over twee jongeren die tot de vaststelling zijn gekomen dat de
wereld hen niet nodig heeft, en dan maar wild om zich heentrappen.
Keer op keer zien we hen doodgemoedereerd wagens en motors stelen,
alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. En burgermensjes
pesten, dat is ook altijd lachen, natuurlijk: in één scène rijden
ze voorbij een picnickend gezinnetje, en maken ze er een punt van
om even achteruit te rijden, zodat ze met hun wielen stof en zand
opwerpen in het gezicht van de familie. De hele film is voorzien
van dat soort anarchistische humor, en hoewel diezelfde
drive van vroeger er natuurlijk niet meer is (de sociale
bannelingen van tegenwoordig spuiten zich rustig vol drugs en
vallen daar verder maar weinig mensen mee lastig), blijft het
fantastisch om naar te kijken.

Iemand zou trouwens ooit eens een diepzinnige studie moeten maken
van het vrouwbeeld in ‘Les Valseuses’. Eén van de weinige scènes
waarin de jongens echt dreigend overkomen, is er één waarin ze een
vrouw met een baby op de trein gaan lastigvallen. De vrouw is haar
kind de borst aan het geven wanneer ze opstappen en ogenblikkelijk
gaan ze op hun doel af. Ze sluiten haar in, stellen vragen, doen
lastig en we krijgen automatisch vreselijke beelden in ons hoofd.
Maar waar de scène op uitdraait, is Dewaere die aan haar borst
zoogt, net als een baby. U hoeft geen psychiater te zijn om daar de
freudiaanse connotaties in te zien.

In principe is dat waar de film voor een groot deel ook over gaat:
twee jongens zonder ouders – de hele oudere generatie is tegen hen
– die op zoek zijn naar een moederfiguur. Ze vinden tijdelijk een
vervangster in het meisje op de trein, en ook Marie-Ange en Jeanne
dragen bij aan hun (seksuele) opvoeding. Als er al enige redding
bestaat voor Jean-Claude en Pierrot, dan rust die bij een paar
goede vrouwen.

Als film is ‘Les Valseuses’ nog altijd zeer onderhoudend: de humor
houdt de vaart erin, de acteurs zijn stuk voor stuk geweldig, en
Blier toont ook een zeer effectieve komische timing in z’n
beeldvoering – let op een scène aan het einde van de film, waarin
Depardieu met een zoveelste auto aan het rijden is, terwijl op de
achterbank Dewaere en Miou-Miou een nummertje maken. Via een serie
jump-cuts zien we hen van standje veranderen, terwijl
Depardieu een steeds meer geërgerde blik op z’n gezicht heeft. Dat
is een voorbeeld van een doodeenvoudige, maar bijzonder effectieve
montage.

De tand des tijds heeft z’n werk gedaan met ‘Les Valseuses’, dat
valt niet te ontkennen. Maar het blijft een vermakelijke,
intelligent in elkaar gestoken film, die een intrigerende blik
biedt op de jonge generatie van de jaren zeventig, zoals ze
zichzelf toen zagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × drie =