Le Temps Qui Reste




Frans snelfilmer François Ozon lijkt de laatste tijd zwaar aan de
downers te zitten: weg zijn de hysterische capriolen van ‘Sitcom’, verleden tijd het surrealisme van
‘Les Amants Criminels’. Net als ‘5 x
2’
, zijn vorige, is ‘Le Temps Qui Reste’ een opvallend
ingehouden, meditatieve film, waarin zelfs de seksscènes niet
worden aangewend om een sensationeel effect te verkrijgen, maar een
onpeilbare tristesse uitstralen. Zijn films worden daar in
ieder geval niet slechter door: ik was maar matig enthousiast over
‘5 x 2’, maar toch was ik verrast
hoeveel van de film ik me een jaar later nog steeds herinnerde – op
de één of andere manier was de prent toch onder m’n huid gaan
zitten. En precies hetzelfde zou wel eens waar kunnen zijn voor ‘Le
Temps Qui Reste’.

Melvil Poupaud speelt Romain, een blitse modefotograaf die een
heerlijk narcistisch leventje leidt: hij verdient geld als slijk,
heeft een vriendje dat trouw achter hem aanloopt, snuift op z’n
tijd een lijntje sociaal verantwoorde coke en schoffeert doodrustig
zijn familieleden. Dan krijgt Romain echter te horen dat hij een
hersentumor heeft, met uitzaaiingen naar z’n lever en longen. De
artsen geven hem drie maanden. In navolging van Isabel Coixets’
‘My Life Without Me’, besluit Romain
om niets te vertellen aan z’n omgeving – in eerste instantie gaat
hij gewoon voort met de klootzak uit te hangen en zoveel mogelijk
bruggen op te blazen voordat hij de pijp uitgaat. Hij jaagt
doelbewust iedereen weg die van hem houdt – zijn vriendje, zijn
zuster, zijn ouders – en vertelt de waarheid enkel aan zijn
grootmoeder (Jeanne Moreau). Zij mag het weten, omdat ze even dicht
tegen de dood staat als hij.

Wat zo speciaal is aan ‘Le Temps Qui Reste’, is dat het hier gaat
om de doodsstrijd van een onsympathiek man. Waarom wil Romain niets
aan zijn familie vertellen? Omdat hij hen wil sparen, of enkel
omdat hij aan het einde van zijn leven niet gereduceerd wil worden
tot een terminaal zieke? De vraag wordt nooit expliciet beantwoord,
maar het feit dat hij elke behandeling weigert, geeft wel aan dat
hij geen patiënt wil worden, waar anderen dan o zo voorzichtig
omheen trippelen. Romain zondert zich af om te sterven, terwijl de
meeste filmpersonages juist naar hun geliefden toe zouden gaan. Dat
feit alleen al zorgt ervoor dat Ozon het vals sentiment doorgaans
weet te vermijden: de conversaties tussen Romain en zijn omgeving
worden voortgestuwd door hetgeen er niét gezegd wordt, door de
bekentenissen en tranerige verzoeningen die in een andere film
zouden volgen, maar hier afwezig blijven. Het is zelfs fair om te
zeggen dat Romain zichzelf niet eens kan uitstaan, en dat hij dan
ook zo weinig mogelijk van zichzelf wil achterlaten in de wereld.
Hij wil zichzelf wissen uit het leven van de anderen, nog voor hij
sterft. Een fotograaf, die zijn carrière heeft gewijd aan het
bewaren van momenten uit het leven van andere mensen, wil nu
zichzelf helemaal uit het toestel verwijderen.

Het is knap hoe Ozon gebruik kan maken van clichés, zonder dat de
clichés hém gaan gebruiken. Naarmate de film vordert, wordt Romain
immers teruggeworpen op zijn innerlijke kind. We zien continu
kinderen opduiken: in flash-backs de jonge Romain zelf, een baby op
een trein, spelende kleintjes op een strand, de kinderen van zijn
zus – noem maar op. Dat is natuurlijk een cliché zo groot als een
shopping center: aan het einde gaat Romain mentaal terug naar het
begin en misschien dat hij op die manier toch een soort van
verlossing weet te bereiken. Maar Ozon brengt ons dat cliché
zodanig sec dat we er toch in meegaan. Geen stroperige muziek, geen
sensationele opbouw zoals je die zou aantreffen in Amerikaanse
films, om aan te geven dat dit een betekenisvol moment wordt, niks.
Die kinderbeelden zijn er en mogen volledig op zichzelf staan,
zonder dat ze worden aangedikt.

De meest betekenisvolle scènes in de film zijn er juist enkele
waarin weinig gebeurt en weinig wordt gezegd. Naar het einde toe
krijgen we een prachtig geregisseerde seksscène die niét expliciet
is en absoluut ook niet bedoeld lijkt om te prikkelen, maar er
zowaar in slaagt om iets te vertellen over de personages. De
laatste tien minuten brengen we door met Romain alleen en er wordt
helemaal niets gezegd – woorden zijn op dat punt ook
overbodig.

Ozon filmt dat alles op een gepast intieme manier. ‘Le Temps Qui
Reste’ is zijn eerste film in cinemascope, maar de regisseur weet
perfect hoe hij dat brede formaat kan aanwenden om toch een intens
sfeertje op te wekken. Hij speelt duidelijk met een contrast tussen
scènes die zich binnen en buiten afspelen. Het principe is simpel:
zijn de personages binnen aan het praten, dan beperkt Ozon zich
doorgaans tot medium shots en close-ups. Zijn ze buiten, dan maakt
hij van de gelegenheid gebruik om z’n film open te trekken en filmt
hij veelal in wide shots. Op die manier vermijdt hij dat z’n prent
te claustrofobisch gaat aanvoelen. Een eenvoudig trucje, maar Ozon
slaagt er in ieder geval in om van ‘Le Temps Qui Reste’ meer te
maken dan enkel een talking heads-film. Meer moet dat niet
zijn.

Melvil Poupaud heeft hier de zware taak om de hele film op z’n
eentje te dragen. Andere acteurs zijn slechts sporadisch in beeld –
ze krijgen één of twee scènes en verdwijnen vervolgens uit het
leven van Romain. Poupaud moet er voor zorgen dat hij een
geloofwaardige overgang weet te creëren van een egoïstische zak
naar een stervende die toch weer wat waardigheid heeft gevonden. En
dat lukt hem – hij is zo’n acteur die moeiteloos je aandacht kan
vasthouden, enkel door met z’n smoel op dat scherm te verschijnen,
meer niet.

‘Le Temps Qui Reste’ is een gevoelige, introverte film die dan wel
flirt met de clichés van het genre, maar die toch met veel smaak en
intelligentie is gemaakt. Knap werk, enfin.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − vijf =