Soy Cuba





Het concept van de propagandafilm draagt tegenwoordig automatisch
een oubollige connotatie met zich mee – we denken aan botte
pogingen tot indoctrinatie, houterig in elkaar gestoken en naar
onze normen van een haast ontroerende naïviteit. Denk maar aan de
beruchte anti-marihuana klassieker ‘Reefer Madness’, of de vele
‘Reds Under the Beds’-filmpjes die de Amerikanen tijdens de jaren
vijftig en zestig op hun publiek loslieten. Maar weinig van die
films worden nu nog bekeken, en als dat wel gebeurt, dan is het
meestal ofwel in het kader van een academische cursus over het
onderwerp, ofwel om er gewoon eens stevig mee te lachen. De
gedachte dat propaganda ook artistieke waarde kan hebben is niet
ongehoord (de bekendste voorbeelden zijn wellicht ‘Pantserkruiser
Potemkin’ en, veel controversiëler, ‘Triumph des Willens’), maar in
ieder geval extreem zeldzaam. ‘Soy Cuba’ is één van de weinige
films die ook in dat rijtje hoort.

De prent is een Russisch-Cubaanse coproductie, die werd
uitgebracht in 1964, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Het was
nog maar vijf jaar geleden dat Fidel Castro de macht had
overgenomen van de kapitalistisch gezinde, corrupte dictator
Batista. En slechts twee jaar eerder was er de Cuban missile
crisis
geweest, waarin de aanwezigheid van Russische raketten
op het eiland ei zo na een atoomoorlog had veroorzaakt. De
spanningen tussen oost en west waren nog nooit zo extreem geweest,
en het was in dat klimaat dat regisseur Mikhail Kalatozov werd
aangezocht om een film te maken die de glorieuze communistische
revolutie op Cuba in de verf moest zetten. Kalatozov had kort
daarvoor hoge ogen gegooid met ‘Als de Kraanvogels Overvliegen’,
een oorlogsdrama waarmee hij de Gouden Palm won in Cannes. Niemand
beter dus om in Cuba snel een verheffend stukje cinema te gaan
maken om de Cubanen er van te overtuigen dat ze het écht wel beter
hadden onder Castro dan onder Batista.

Het resultaat viel de Russische autoriteiten echter tegen: de
regisseur had er een lyrisch, poëtisch filmgedicht van gemaakt, dat
veel te elitair en moeilijk werd gevonden voor het gewone volk.
Uiteindelijk werd de film in Rusland verdonkeremaand door de
overheid – er kwamen scènes in voor van het decadente Amerikaanse
leven van vóór de revolutie, en dat mocht natuurlijk niet gezien
worden – en in Cuba door pers en publiek met de grond gelijk
gemaakt. Dat de prent toch heeft overleefd, is (o, de ironie!)
vooral te danken aan de Amerikanen. Martin Scorsese en Francis Ford
Coppola haalden ‘Soy Cuba’ midden jaren negentig uit de
vergetelheid en “presenteerden” de film op festivals. Nu wordt hij
beschouwd als een (bijna) verloren klassieker.

‘Soy Cuba’ werd opgedeeld in vier episodes, die elkaar ruwweg
chronologisch opvolgen, van de onderdrukking door de
Amerikaansgezinde overheid en de groeiende onrust bij de bevolking,
tot aan de revolutie zelf. In deel één ontmoeten we Maria, een
danseres en prostituee in een bar die bezocht wordt door Yankees –
ze wordt uitgebuit door de kapitalisten en zet elke kans op echte
liefde met haar werk op het spel. Deel twee gaat over Pedro, een
hardwerkende boer wiens velden worden opgevorderd door de United
Fruit Company (de nog-net-niet-koloniale Amerikaanse multinational
die fruit exporteerde vanuit Zuid-Amerika). In deel drie volgen we
enkele studenten die pro-Castro literatuur verspreiden en af te
rekenen krijgen met het leger. En in deel vier komt de revolutie
aankloppen, met het verhaal van Mariano, een boer die gaat vechten
voor de guerilla’s.

Figuren als Castro en Ché Guevara worden daarbij nooit opgevoerd
als handelende personages, allicht omdat Kalatozov niet de indruk
wilde wekken dat de revolutie het werk was van een aantal
agitatoren, maar spontaan ontstond vanuit het volk. En bijgevolg
zien we vooral de slachtoffers van het Amerikaanse imperialisme, de
mensen die onder Batista werden uitgebuit: de boeren, de
barmeisjes, de arbeiders. Tot dusver volgt Kalatozov dus braaf het
stramien van de communistische propagandafilm – het gewone volk dat
zodanig getergd wordt dat het spontaan in opstand komt – maar waar
de autoriteiten het moeilijk mee hadden, waren bijvoorbeeld de als
“bourgeois” geïnterpreteerde tussenstukken die de vier episodes
verbinden. We zien montages van natuurbeelden van het eiland,
terwijl een vrouwenstem in voice over poëzie van Russisch dichter
Yevgeny Yevtushenko voorleest, geschreven vanuit het standpunt van
Cuba zelf: “Ik ben Cuba. Voor jou ben ik het casino, de bar, de
hotels en de bordelen. Maar ik behoor ook toe aan de kinderen en
oude mensen.” Alsof het land zelf de onrechtvaardigheid
uitschreeuwt, wat een abstractie is waar men destijds blijkbaar
niet echt klaar voor was.

De voornaamste reden waarvoor ‘Soy Cuba’ herinnerd zal blijven,
is echter de visuele stijl, die afgeladen vol zit met extreem
lange, enorm beweeglijke shots die soms weinig minder dan
miraculeus zijn. Aan het begin van de film zien we een decadent
westers feestje in één van de hotels: we beginnen op een dakterras
en gaan dan blijkbaar langs de wand van het gebouw naar beneden,
waar er een zwembad is. In nog steeds hetzelfde shot lopen we
tussen de feestvierders en uiteindelijk gaan we zelfs het zwembad
in, om onder water te eindigen. En dat allemaal in één enkel shot,
lang voor de dagen van steadicam. (Het shot werd trouwens
nagebootst door Paul Thomas Anderson in zijn doorbraakfilm ‘Boogie
Nights’, met de nuance dat hij nog één stapje verder ging en ook
weer uit het water naar boven kwam. Maar hij had anno 1996
natuurlijk meer technische middelen.) Nog een voorbeeld: een shot
begint tijdens een massale processie op straat. De camera gaat een
gebouw binnen, de trap omhoog, de productiezaal van een
sigarenbedrijf in en dan door een stel Franse deuren, over een
piepklein balkonnetje de lucht in. Letterlijk: het shot eindigt
zwevend over het volk op straat. En dat soort shots zijn er nog,
allicht gerealiseerd door de camera door te geven tussen crewleden,
en door liften, kranen en kabels te gebruiken. Ook dit was een
reden voor de kritiek van de autoriteiten, die vonden dat de
boodschap van de film verloren ging onder de uiterlijke pracht en
praal.

Die stijl is indrukwekkend, maar heeft ze ook een nut? Strikt
genomen zijn die lange shots niet nodig om het verhaal van ‘Soy
Cuba’ verteld te krijgen, maar ze dragen wel bij aan de lyrische
sfeer van de prent. En wat belangrijker is: aangezien de
propagandawaarde van de prent anno 2010 nihil is geworden, is ze
tegenwoordig ook de belangrijkste reden geworden om ernaar te
kijken. De pure visuele schoonheid van de shots, en het spelletje
“hoe zouden ze dàt hebben gedaan, in die tijd?” dat je erbij kunt
spelen, zijn oneindig veel boeiender dan de eigenlijke verhaallijn,
die onvermijdelijk gedateerd overkomt. Vergelijk het gerust met de
manier waarop je ‘Pantserkruiser Potemkin’ tegenwoordig vooral
bekijkt voor de montage van de Odessa-sequens, en niet zozeer omdat
de plot zo aangrijpend is.

In die zin is ‘Soy Cuba’ bovenal een razend interessant curiosum
voor iedereen die serieus met het medium bezig is. De fysieke
constructie van de shots, de manier waarop het visuele het
inhoudelijke kan overstijgen en de poëtische manier waarop
Kalatozov zijn propagandaboodschap probeert te verpakken, zijn
ironisch genoeg allemaal eindeloos veel boeiender dat het lot van
dat barmeisje, die boer en die arbeider, van wie we toch weten dat
ze het geluk zullen vinden onder Castro. Of, als dat niet wil
lukken, dat ze in een rubber bootje naar Miami zullen proberen te
varen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =