The Dodos :: Time To Die

Kan iemand The Dodos het concept "rockplaat" even uitleggen? Hoewel de band uit San Fransisco volgens de bio maar al te graag "a rock record" wilde maken, is Time To Die immers iets heel anders geworden. Een spijtige zaak.

Het zou nochtans niet moeilijk mogen zijn. Voorganger Visiter was een grotendeels akoestisch album, maar dan wel een dat hamerde, rammelde en voortjakkerde als was het opgenomen door een punkduo. Ze kunnen dus wel degelijk rocken, die Dodos — iets wat ze ook live bewezen hebben — maar als het met opzet moet gebeuren, ligt dat blijkbaar anders.

Het begint al in opener "Small Deaths". Het Dodos-geluid is nog steeds herkenbaar, maar tegelijk is het compleet anders: veel meer op melodie gericht in plaats van louter op ritme, met echte "liedjes" in plaats van onverwacht uithalende zanglijnen over gitaarerupties en roffelende drums. Het haperende gerammel is een stuk verminderd en de drums zijn heel wat minder prominent, waardoor we af en toe nog wel lichte uitbarstingen krijgen, maar de gekte ook snel weer het zwijgen wordt opgelegd. Een belangrijke rol in deze evolutie wordt gespeeld door vibrafonist Keaton Snyder, die na zijn live-interventies voor het eerst ook meedoet op een plaat. Hoewel het instrument niet overal even opvallend aanwezig is, zorgt het toch voor een zekere verfijning die er vroeger niet was en die tegelijk afbreuk doet aan het tribalere, wilde karakter van de vorige twee Dodosplaten.

Hetzelfde gebeurt in "Longform" en "A Time To Die" (dat overigens wel spannend opent dankzij een met de strijkstok bespeelde vibrafoon): af en toe duikt het nauwelijks bij te houden gitaarspel weer op en mogen de drums weer hameren, maar het duurt nooit lang voor de op deze plaat bijna zweverige zang van Meric Long opnieuw overneemt, en dan is het uit met de pret. Long toont zich bovendien een weinig indrukwekkend zanger: zijn stem had veel meer effect in de vocale opstoten van de vorige twee albums dan wanneer hij echt wil zingen en het resultaat eerder eentonig en vlak is.

Dat een klein beetje subtiliteit en melodie niet altijd iets slechts is, bewijst "Fables", het vroege hoogtepunt van dit album. Nooit eerder kwam de band zo dicht bij een popsong, met een intro die vaagweg aan Mungo Jerry’s "In The Summertime" doet denken, en een haast lieflijk refrein. Toch bespeelt Logan Kroeber zijn drums opnieuw met ongenadige kracht en mag Long zijn gitaar nog eens uitgebreid en repetitief laten weerklinken, iets wat hij op Time To Die veel te weinig kan doen. Een uitschieter dus, maar niet zoals "Fools" of "Jodi" dat waren op Visiter.

Helaas gaat het vanaf dan met een rotvaart bergaf: "This Is A Business" en "Two Medicines" zijn van het slechtste dat de band al op plaat zette. Het eerste kan nog wel bogen op een heerlijk opzwepende gitaarriff die af en toe opduikt, maar wordt compleet onderuit gehaald door het afschuwelijke refrein en het tweede heeft zelfs dat niet: Time To Die is nog maar iets over de helft en nu al grotendeels verzonken in de ondoorwaadbare poel der onnoemelijke saaiheid. Het mag niet verbazen dat het vandaar uit moeilijk terugkeren is: enkel "Acorn Factory" weet net boven water te komen, met zijn folky en opnieuw erg zacht geluid. Volstrekt níet willen rocken, was dus duidelijk een beter concept geweest voor dit album.

Dat alles maakt van Time To Die een hálve goede plaat. Met de hakken over de sloot, dat wel, maar we weten dat The Dodos met gemak grote onderscheiding kunnen halen. Volgende keer graag iets beter jullie best doen, jongens!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vijf =