Suske en Wiske :: De Texas Rakkers




Net zoals eender welk ander land, schijnen we in België de
verplichting te voelen om op tijd en stond ons literair erfgoed nog
eens op te rakelen voor een verfilming. De Britten hebben Jane
Austen, Howard Forster en Shakespeare, zelfs de Amerikanen kunnen
op z’n minst nog rekenen op Stephen King, maar wij… Tja, wij
hebben het tot nog toe vooral moeten stellen met een eindeloze
reeks boerenfilms (herinner u ‘Pallieter’ en huiver) en hier en
daar een bewerking van een stripverhaal. Nationale trots ‘Suske en
Wiske’ heeft het wat dat betreft nog niet echt goed getroffen. In
een grijs verleden werden de albums al het slachtoffer van een
poppenreeks, een verdacht bewegingloze tekenfilmserie en een
live action-film – ‘De Duistere Diamant’ – waarvan we ons
alleen herinneren dat Wiske fameus in de puberteit aan het raken
was en dat Peter Van den Begin als Tante Sidonia geen goed idee was
(hij was verdorie angstaanjagender dan in ‘Matroesjka’s’). Maar
goed, wat heb je aan een patrimonium als je het niet kunt
plunderen? En dus is er nu ‘De Texas Rakkers’, de eerste Belgische
CGI-animatiefilm, en meteen de duurste Vlaamse film aller tijden (9
miljoen euro, ofwel bijna ‘De Zaak Alzheimer’ maal vier). Maar
bliksems, donders, deksels, verroest en hemel: een goed scenario
blijkt zelfs voor zoveel geld niet te koop te zijn.

De plot, die zeer losjes gebaseerd is op het gelijknamige
stripverhaal, draait rond de Texaanse bandiet en whiskysmokkelaar
Jim Parasijt, die de plak zwaait over het dorpje Dark City. Als
deel van zijn snode plannen slaagt hij er in om de Texas Rangers
die hem willen tegenhouden, te verkleinen met behulp van een
Indiaans toverpoeder en hen vervolgens in lege whiskyflessen op te
sluiten. Eén van die flessen komt terecht bij Lambik en nog voordat
er drie vrachtwagens van Colruyt en Dreamland prominent door het
beeld zijn gereden, zijn onze vrienden al onderweg naar Texas om
Jim Parasijt een lesje te leren.

Wat koopt een mens op de CGI-markt tegenwoordig voor 9 miljoen
euro? Lang niet zoveel als Pixar kan krijgen voor 180 miljoen
dollar (het budget van ‘Wall-E’), zo blijkt. Als allereerste
Belgische digitale animatiefilm kan ‘Suske en Wiske’ pronken met –
toegegeven – sterke decors, maar de makers (en vooral hun gebrek
aan budget) vallen pijnlijk door de mand met hun personages. Suske,
Wiske, Sidonia, Lambik en Jerom zien er uit als gladde, uit een
niet nader te bepalen substantie opgetrokken figuurtjes met een
onnatuurlijke huidskleur en griezelige zwarte kraaloogjes, die zich
houterig bewegen en nooit echt lijken te passen in hun omgeving.
Regisseurs Wim Bien en Mark Mertens hebben er voor gekozen om het
uiterlijk van de personages exact hetzelfde te houden als in de
stripverhalen (wat begrijpelijk is). Maar als je dan het contrast
ziet tussen een realistisch decor en de gestileerde figuren van
Willy Vandersteen, dan vloekt het dat het een aard heeft.
Waarschijnlijk heeft het ook allemaal veel met het budget te maken:
duurste Vlaamse film of niet, 9 miljoen is eigenlijk gewoon veel te
weinig om een dergelijke prent te maken. ‘Suske en Wiske’ waagt
zich op een animatiemarkt die gedomineerd wordt door grote
Amerikaanse studio’s als Dreamworks en (vooral) Pixar, dus of ze
willen of niet, en of het nu eerlijk is of niet, ze worden
onvermijdelijk toch vergeleken met die grote jongens. En tja, dan
is het verschil wel héél erg duidelijk.

Los van het visuele aspect krijgen we een scenario dat zich
duidelijk op kinderen richt en maar weinig crossover
potentieel bezit. De grapjes zijn maar al te vaak kinderachtig
(Lambik die twee minuten te laat constateert dat hij is
neergeslagen en dan ook “dringend moet flauwvallen”, ho-ho-ho), en
het verhaal wordt in zo’n drie verschillende scènes omstandig
uitgelegd, opdat zelfs het jongste kind helemaal mee zou zijn. In
principe is het natuurlijk het goed recht van de makers om
expliciet kinderen aan te spreken met hun film, maar het vreemde is
dat de stripverhalen er wél in slaagden om een dubbele bodem aan te
brengen voor volwassenen. Het album ‘De Texas Rakkers’ dateert al
van eind jaren vijftig (toen de serie ‘The Texas Rangers’ dus op tv
speelde) en komt bijgevolg onvermijdelijk gedateerd en belerend
over, maar voor zijn eigen tijd speelde de strip wel degelijk in op
hedendaagse tendensen, waar volwassenen op konden inpikken. Er was
de parodie op de tv-serie, grapjes over deur-aan-deurverkopers en
scènes die refereerden naar de John Wayne-westerns die toen
populair waren. Circa 1959 sprong je daar al een heel eind mee om
de ouders van je doelpubliek te kunnen boeien. Anno 2009 net iets
minder. Het gevolg: de kinderen om mij heen in de zaal lachten af
en toe – zij het nog steeds verdacht zelden – terwijl de
volwassenen allicht mentaal hun boodschappenlijstje aan het
opstellen waren of rustig 80 minuten konden besteden aan de
knagende twijfel of ze de koffiezet nu hadden uitgeschakeld voordat
ze thuis vertrokken.

Ook al heeft Guy Mortier dan het scenario bijgevijld, de humor
blijft grotendeels hangen op het parochiaal niveau van de
gemiddelde aflevering ‘FC De Kampioenen’ – misschien ook wel
logisch, als je ziet welke leeftijdscategorie de voorbije
achtduizend jaar het doelpubliek van ‘De Kampioenen’ is geworden.
Kindervermaak of niet, het had toch écht wel een beetje slimmer
gemogen dan Lambik die besprongen wordt door een paard of een boef
die ondergepist wordt door keffer Tobias. (Zelfbewuste en niets ter
zake doende referenties naar ‘Brokeback Mountain’ en ‘The Matrix’
zijn dan weer eerder genante pogingen om toch een klein beetje hip
te wezen.) Waar er wel wat te lachen valt, is dat meestal te danken
aan de onnavolgbare Sien Eggers, die van haar tante Sidonia alweer
een Lydia Protut-achtig personage maakt dat steeds in een lichtjes
andere dimensie lijkt te leven dan de anderen. Oké, dat knuffelbaar
verdwaasde karakter heeft ze misschien al net één keer te vaak
uitgespeeld (na ‘In de Gloria’ en ‘Het Eiland’), maar gezien het
zouteloze script dat we hier krijgen, was ik al lang tevreden dat
ik dat tenminste nog had. In de andere rollen horen we Lucas Van
den Eynde als Lambik, Filip Peeters als Jerom en Staf Coppens en
Evelien Verhegge als Suske en Wiske – och ja, die mensen doen wat
ze kunnen met het materiaal dat ze krijgen. Chris “the king of
unfunny” Van den Durpel weet naar goede gewoonte weer tenenkrullend
irritant te wezen als Theofiel Boemerang. Of lag dat toch aan het
personage?

De enige scène die me uit ‘De Texas Rakkers’ zal bijblijven is
wellicht de introductie van Miss Missy. In het originele
stripverhaal was ze een brave schooljuffrouw die onze helden helpt
om Jim Parasijt te vangen, maar hier werd ze omgetoverd tot een
saloonzangeres die wordt geïntroduceerd terwijl ze een liedje
zingt, gekleed in een Jessica Rabbit-jurk met een decolleté waar je
in kunt bungeejumpen. Zo hebben ze tóch weer even drie minuten aan
de volwassenen in de zaal gedacht, stel je voor. Voor de rest is
dit een gemiste kans. Als Pixar ons de voorbije tien jaar iets
heeft geleerd, dan is het wel dat een goede familiefilm volwassenen
niet in de kou hoeft te laten staan. Dat kindvriendelijk en
kinderachtig niet hetzelfde zijn. En dat product placement
ook subtiel kan gebeuren. Goede raad die blijkbaar in dovemansoren
is gevallen. Of zoals Lambik het zou zeggen: miljaar, verhip en
drommels tegelijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 2 =