Pulsar





Een stevige volkswijsheid gaat er in de Vlaanders altijd
in, daarom bij deze: een natte februaar, is’t begin van ‘n
vruchtbaar jaar!
Levend bewijs daarvan: Matthias Schoenaerts.
In deze druilerige dagen vult a whole lot of Matthias
Schoenaerts het witte doek. Behalve de zevenentwintig kilo extra
Antwerpse adonis in ‘Rundskop’, is er namelijk ook nog zijn
hoofdrol in ‘Pulsar’. De zelfverklaarde technothriller van
Alex Stockman raakte serieus ondergesneeuwd door het overdonderende
succes van ‘Rundskop’. Nochtans hebben de twee prenten aan de
oppervlakte best wel wat gemeen: zo genoten ze allebei erkenning in
Duitsland (‘Pulsar’ kreeg de Prijs van de Filmkritiek op het
Filmfestival van Hamburg, ‘Rundskop’ werd geselecteerd voor de
Berlinale), speelt Schoenaerts tweemaal een jongeman die zijn greep
op de werkelijkheid verliest en creëerden beide films net door die
internationale successen en die sterke cast (behalve een double
bill
Schoenaerts ook allebei een Perceval) hoge verwachtingen
in het thuisland. Verwachtingen die door ‘Rundskop’ op onnavolgbare
wijze werden ingelost, maar waaronder ‘Pulsar’ jammerlijk bezweek.
Hier dan ook geen kippenvel en tranendal na afloop, maar enkel een
diepe zucht en een welgemeend: What the f*ck?!

Nochtans is de plot betrekkelijk eenvoudig. Schoenaerts speelt
Samuel, een goeiige gozer die in Brussel medicijnen levert aan
apotheken. Shitty job, maar gelukkig heeft hij een fetisj
voor groen neonlicht. Kern van Samuels bestaan is zijn ravissante
vriendin Mirelle (Tine van den Wyngaert), die een tijd naar New
York trekt om er stage te lopen bij een architectenbureau. Haar
afwezigheid weegt zichtbaar op Samuel en hij grijpt elk vrij moment
aan om met haar te bellen, te mailen of te chatten. Wanneer zijn
computernetwerk gehackt wordt en hij zijn Mirelle niet meer kan
bereiken, slaat de paranoia toe. Samuel vreest niet alleen haar te
zullen verliezen aan een of andere gladde Amerikaan, maar raakt ook
geobsedeerd door de elektrosmog die ongevraagd zijn appartement
terroriseert: door alle kieren en spleten voelt Samuel de hacker
zijn leven binnendringen, een gewetenloze infiltrant die
vastbesloten lijkt hem finaal te kraken. Zo vervreemdt Samuel
steeds verder van zijn omgeving, op de vlucht voor vijandige
radiogolven en wanhopig vasthoudend aan een wegglippende
liefde.

In Locarno werd ‘Pulsar’ zalvend omschreven als a story
about
love, paranoia and two lovers separated by an ocean
of communication devices
. Had Stockman het ook daadwerkelijk
bij die liefdeshistorie gelaten, dan had de film best overtuigend
kunnen zijn. Redelijk herkenbaar ook, want de obsessie altijd en
overal bereikbaar te willen zijn, is zeker een ziekte van deze
tijd. En de twijfel die toeslaat bij de langdurige afwezigheid van
een geliefde is wellicht ook niemand vreemd. Hoogstens had je even
gefronst wanneer Samuel volledig doordraait: modems kapot meppen,
appartement overschilderen met stralingwerende verf en ramen
afplakken met ondoordringbaar gaas, dat gaat er zelfs in naam van
de Grote Liefde een beetje over. Maar alles tezamen had het een
degelijk en integer verhaal kunnen opleveren: een traditioneel
thema (de weerhaken van de liefde) in een hedendaagse context
(cyberspace), helemaal niks mis mee.

Problematisch wordt het echter wanneer Stockman het centrale
liefdesthema verweeft met een halfslachtig thrillerverhaal.
Vermoedelijk in een poging om Samuels verregaande paranoia iets
geloofwaardiger te maken, suggereert de film dat de hacker
weldegelijk met Samuel wil afrekenen en dat diens
achtervolgingswaan dus helemaal niet ongegrond is. Zo mailt de
indringer in Samuels naam naar Mirelle en raadt hij haar aan hem zo
snel mogelijk te dumpen. Door dat ene mailtje wordt het onmogelijk
de hele situatie nog te lezen als een hersenspinsel van de dolende
Samuel. Op dat moment verandert ‘Pulsar’ dan ook in een
whodunit: we vragen ons niet langer af of het allemaal wel
goed komt tussen Samuel en Mirelle, maar willen nu enkel nog weten
wie die arme stakker zo zit te treiteren. Aan verdachten geen
gebrek: de verdenking wordt verschoven van de demonisch grijnzende
buurman (Stefan Perceval) over de opdringende conciërge (Sien
Eggers) naar de onoprechte huisbaas en terug. Hoe de vork nu
precies aan de steel zit, komen we helaas nooit te weten: naar het
einde van de film, waar je eigenlijk een nette ontknoping verwacht,
hopt de focus weer naar Samuels liefdesperikelen en wordt de *kuch*
thrillerlijn gewoon overboord gegooid. Die liefdesperikelen zijn
door het hele misdaadintermezzo bovendien een pak minder
interessant geworden. Het was immers niet de liefde, maar wel een
ordinaire hacker die Samuel tot gekte dreef.

Zo hinkt de film op twee onverenigbare gedachten: om de
liefdeshistorie diepgang te geven, moet je geloven dat Samuel zich
bijna alles verbeeldt, terwijl de thrillerplot net het
tegenovergestelde vraagt. Oorspronkelijk zou ‘Pulsar’ overigens
maar veertig minuten duren en wellicht is het evenwicht ergens bij
de uitbreiding van het scenario zoek geraakt. Stockman gaat er
overigens prat op zijn films pas te ontdekken terwijl hij ze aan
het maken is, wat er natuurlijk ook voor iets kan tussen zitten.
Hoe dan ook, het is door die tweeledigheid alleszins erg moeilijk
als kijker mee te gaan in de film. Pas wanneer je een abstractie
maakt van het hele whodunnit-gegeven, springen de sterktes
van ‘Pulsar’ in het oog. De sequens waarin Samuel zijn appartement
maniakaal impregneert met anti-stralingsverf en vervolgens midden
in die staalgrijze bunker verslagen op de grond gaat zitten, groeit
dan bijvoorbeeld uit tot een aangrijpende metafoor voor zijn
zwellende eenzaamheid. Enkel op die manier blijft ook Samuels
personage min of meer geloofwaardig en lijkt zijn melancholie –
hoewel nog altijd behoorlijk over the top – enigszins
oprecht. Schoenaerts staat de hele film trouwens meer dan
behoorlijk te acteren, maar ook hij wordt niet echt geholpen door
de manke plot.

Eigenlijk zit er best veel goeds in ‘Pulsar’. De basisidee, de
vormgeving, het acteerwerk: het mag er allemaal best zijn. Maar
door een compleet overbodig detail van het verhaal – dat
vermaledijde mailtje toch – valt de film helemaal op zijn gat en
blijft er van al die goede bedoelingen nauwelijks iets overeind.
Een compleet uit de lucht gegrepen open einde geeft aan dat
Stockman zelf misschien ook niet helemaal wist welke richting hij
met ‘Pulsar’ precies uit wilde. Tenzij naar de haaien hem een fijne
optie leek. Dat is zijn
volste recht natuurlijk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − acht =