Swan Lake :: Enemy Mine

Swan Lake is wat men met zekere zin voor overdrijving een ‘supergroup’ pleegt te noemen: een vehikel waarin de grootste talenten uit diverse groepen de krachten bundelen en samen naar nieuwe hoogten mikken. Het te samenbrengen van zoveel ego verzekert dergelijke groepen slechts zelden een lang leven, maar zo nu en dan levert het behoorlijk straffe kost op — getuige daarvan ook het wonderlijke Enemy Mine.

De heilige drie-eenheid achter Swan Lake stamt uit Canada en bestaat uit Daniel Bejar (bekend van Destroyer en The New Pornographers), Spencer Krug (lid van Wolf Parade en Sunset Rubdown), en ten slotte Carey Mercer (de man met de herkenbare stem achter het onvolprezen Frog Eyes). Enkele jaren terug liet het drietal het chaotische Beast Moans op de wereld los, waarmee het de Canadese indierock een stevige trap onder haar ingedommeld achterste gaf. Op tweede boorling Enemy Mine heeft de groep nog maar weinig van zijn energie ingeleverd. Wie zijn indierock het liefst glad en afgelikt heeft, zal aan Swan Lake een broertje dood hebben. Zij, daarentegen, die zich altijd al afvroegen hoe het zou klinken als hun drie favoriete lo-fi platen tegelijk zouden afgespeeld worden, zijn aan het juiste adres.

Grote delen van Enemy Mine lijken een vast stramien te volgen: een voor een mogen Bejar, Krug en Mercer een nummer dragen en houden de overige bandleden zich zo lang mogelijk in vooraleer ze zichzelf met veel gevoel voor dreigende chaos ontketenen. Tot een echte symbiose tussen de drie grootheden komt het zelden, maar vaak is ook niet meer dan een kleine toets nodig om de songs een hogere klasse te verlenen. Mercer’s “Spanish Gold, 2044” begint als een (naar relatieve maatstaven) ‘gewoon’ Frog Eyes nummer — inclusief getormenteerd overslaand stemgeluid en quasi-literaire maar onbegrijpelijke tekst — tot Krug en Bejar met hun felle gitaarwerk en tempoveranderingen de song finaal tot een machtige rocker omsmeden. Een stevigere opener kan men zich moeilijk wensen. In de daaropvolgende songs wordt het doorgaans wel een stuk toegankelijker, zodat zelfs de contouren van ‘gewone’ poprock bijna in zicht komen. Zo braaf worden ze echter nooit, en voor je er erg in hebt, komen alweer voldoende lagen opgefokte psychedelische lo-fi boven drijven om voor voldoende complexiteit en diepgang te zorgen.

Kortom, voor de liefhebber van grillige, maar gebalde indie rock is Enemy Mine een feest. Althans, het begin en het einde van de plaat zijn dat. “Settle on Your Skin” en “Warlock Psychologist” zijn donker en agressief, terwijl “Heartswarm” en de intrigerende ballad “A Hand at Dusk” twijfelen tussen strelen en bijten. Buitenbeetje is “Paper Lace” dat in haar timide kwetsbaarheid het meesterschap van het trio ten volle toont en zich voor het eerst eens niét verschuilt achter nonsensicale teksten. Zelden een lied over de liefde gehoord dat tegelijk zo schrijnend, berustend én optimistisch was: “And when you’re done crying to everyone / You can go back to your good home / […] / She will be tired from loving everyone / But she’ll be glad that you’re back home”.

Enemy Mine is een bijzonder fijne plaat die de kwaliteit van het werk van Wolf Parade, Destroyer en Frog Eyes meermaals overstijgt. Spijtig genoeg laten de talenten het halverwege even afweten en daardoor is het middendeel van de plaat behoorlijk mediocre. Maar niet getreurd: daarvoor werd immers de ‘skipknop’ op cd-spelers uitgevonden. Zodoende blijft een kort maar krachtig album over waarmee Swan Lake zichzelf overtreft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 4 =