Synecdoche, New York





Het is schijnbaar een vruchtbare periode voor scenaristen die het
ook als regisseur proberen waar te maken. Guillermo Arriaga rukt
zich lost van Alejandro González Iñárittu met ‘The Burning Plain’
(met matige resultaten) en onze favoriete weirdo, Charlie
Kaufman, de man die van zijn twijfels en neuroses zijn muze heeft
weten te maken, komt aandraven met ‘Synecdoche, New York’. Niemand
die ‘Being John Malkovich’, ‘Adaptation’ of ‘Eternal Sunshine of
the Spotless Mind’ heeft gezien kan ooit iets normaals verwacht
hebben van Kaufmans regiedebuut, maar er is, vrees ik, geen enkele
recensie die ooit afdoende zal kunnen uitdrukken hoe bizar en
ontoegankelijk ‘Synecdoche’ is geworden. Zonder de afremmende
invloed van een regisseur als Michel Gondry of Spike Jonze, heeft
Kaufman hier ongegeneerd al zijn duivels losgelaten. De man had
carte blanche om zo ver te gaan als hij wilde met surreële
verhaallijnen en geflipte personages, en het resultaat is een film
die ofwel geniaal is, ofwel onvoorstelbaar, walgelijk slecht. Het
zegt veel over mijn persoonlijke verwarring dat ik zelf niet kan
kiezen tussen de twee.

Philip Seymour Hoffman speelt Caden Cotard, een theaterregisseur
en ernstig kandidaat voor de titel van meest gefrustreerde mens op
aarde. Hij moet tegen zijn zin een productie van ‘Death of a
Salesman’ op poten zetten die niets voor hem betekent, zijn vrouw
Adele (Catherine Keener) geeft grofweg toe dat ze wel eens
fantaseert over zijn dood, zijn dochtertje Olive zeurt hem de oren
van het hoofd en hij lijdt aan een hele encyclopedie aan (reële
en/of ingebeelde) ziektes. Zijn enige pleziertje is af en toe te
flirten met Hazel (Samantha Morton), de kassierster van zijn
theatergebouw. Wanneer Caden echter onverwacht een omvangrijke
werkbeurs krijgt, ziet hij zijn kans schoon om zijn gedroomde
artistieke project te realiseren. In een gigantische loods ergens
in New York begint hij een life size model te creëren van
de buitenwereld en hij huurt acteurs in om de inwoners van die stad
te spelen. Op die manier wilt hij zijn publiek een spiegel
voorhouden: een exacte replica van New York, eerlijk en authentiek,
met alle mensen die er wonen. Zijn project groeit echter al snel
boven zijn hoofd uit, en voor hij het weet begint hij loodsen te
maken binnen de loods: na een tijdje lopen er acteurs rond die de
acteurs spelen die de acteurs spelen die de echte New Yorkers in de
buitenwereld nabootsen. Caden krijgt het steeds moeilijker om
realiteit en fictie te onderscheiden, en ook tijdlijnen worden al
gauw erg wazig.

Die samenvatting klinkt misschien complex, maar geloof me, het
is een waanzinnige vereenvoudiging van wat je op het scherm te zien
krijgt. Tijdens het eerste half uur verloopt ‘Synecdoche’ nog
relatief normaal, met het verslag van Cadens pathetische leventje.
Daarna wordt het eerste voorbeeld van absolute gekkigheid
geïntroduceerd, wanneer Samantha Morton een huis koopt dat continu
in brand staat (ik verzin niets). En van daar gaat het steeds maar
verder: de film springt op onverklaarbare wijze tussen de jaren
(van de ene scène op de andere zijn er tien jaar gepasseerd, zonder
dat we daar als publiek op worden voorbereid), en ook fysieke
kenmerken van de personages zijn (allicht bewust) geheel
inconsequent. Caden heeft in één scène last van puisten in z’n
gezicht. In de volgende scène zijn ze verdwenen. Een litteken dat
hij aan het begin van de film oploopt, komt en gaat en zijn
haarkleur switcht vrolijk tussen rossig en grijs.

Aanvankelijk kun je als kijker nog grotendeels volgen en ben je
bereid om mee te gaan in de (ontegensprekelijk enorm creatieve)
waanzin van Kaufman. Maar dan, ergens halverwege, raakt de
schrijver-regisseur de teugels kwijt. Of misschien ook niet,
misschien weet Kaufman ten alle tijden perfect waar hij mee bezig
is, maar is hij na dat punt niet meer in staat om het ook over te
brengen op zijn publiek. In ieder geval, er kwam een moment waarop
ik (en ik vermoed zeer velen met mij), net als Caden verloren
begonnen te lopen in het doolhof van ‘Synecdoche’, waarin je nooit
weet wat echt is en wat fantasie, of in welk niveau van de loodsen
je je ergens bevindt.

Centraal in ‘Synecdoche, New York’ staat het idee van de
mise-en-abyme (ja hoor, hier ben ik weer met m’n
pretentieuze termen): je ziet een schilderij van een kamer. In die
kamer hangt ook een schilderij aan de muur, van dezelfde kamer.
Waarin ook weer een schilderij hangt van diezelfde kamer. En daarin
hangt ook weer een schilderij. En zo door, tot in het oneindige.
Caden structureert zijn toneelstuk op dezelfde manier (net zoals,
niet te vergeten, Kaufman ook zijn film structureert): in een loods
bouwt hij de werkelijkheid na. Maar dat wilt zeggen dat er in die
loods ook een loods moet staan. En daarin nog een. En daarin nog
een. Tot in het oneindige. Op die manier raakt hij verstrikt in een
eindeloos creatieproces, met imitaties van imitaties van imitaties
van de werkelijkheid. Zijn uiteindelijk doel – de realiteit tonen
zoals ze is – raakt daarbij steeds verder weg. Vooral ook omdat hij
er op die manier nooit in slaagt om zijn werk aan een publiek te
tonen of zelfs maar een titel te geven.

Die thematiek is verwant aan die van ‘Adaptation’: we krijgen
een kunstenaar die worstelt met zijn creatief proces, totdat hij
uiteindelijk geen onderscheid meer kan maken tussen zichzelf en
hetgeen hij creëert. Maar ‘Synecdoche’ gaat nog eens honderd
stappen verder, en suggereert onder andere ook dat de verschillende
lagen van werkelijkheid (de loodsen in de loodsen in de loodsen)
ook binnenin mensen bestaat: elk mens is wie hij is, maar hij is
ook de mensen uit zijn omgeving (want die beïnvloeden hem), hij is
ook zijn werk, zijn hobby’s en ga zo maar door. Een persoon is
volgens Charlie Kaufman geen afgezonderd, individueel wezen, maar
een serie invloeden, gedachten, gevoelens en neuroses. Ofwel:
loodsen binnenin loodsen binnenin loodsen. De vraag is of je er
ooit wel je weg uit vindt.

En dat is ook de vraag bij de film. De ideeën die Kaufman
aandraagt, zijn absoluut indringend en er zitten briljante momenten
in ‘Synecdoche’, maar ondertussen heb je ook continu de indruk dat
hier een regisseur aan het werk is die vastbesloten is om zichzelf
niets te ontzeggen. Niemand remt Kaufman af, wat een film oplevert
die pakweg 99 procent van het publiek op een bepaald moment zal
moeten lossen. Er komt een punt waarop de spielerei van de
regisseur ophoudt leuk te zijn, en gewoon terminaal verwarrend
wordt. Thema’s duiken op, en heel af en toe krijg je de indruk dat
je het allemaal door hebt, om vervolgens weer geconfronteerd te
worden met een zoveelste van de pot gerukte scène die al je
theorieën op losse schroeven zet.

De acteurs moeten een immens vertrouwen hebben gehad in Kaufman
om zich hieraan over te geven (je gaat me niet vertellen dat ze dit
script gelezen hebben en meteen begrepen waar hij naartoe wilde).
Philip Seymour Hoffman is waarschijnlijk de beste acteur die er
momenteel in Amerika rondloopt, en ook al wordt zijn personage
nooit echt duidelijk in de traditionele zin van het woord, Hoffman
geeft hem toch erg veel menselijkheid mee. Catherine Keener is een
oudgediende van Kaufman, met ‘Being John Malkovich’, en is zoals
altijd moeiteloos grappig. Samantha Morton gooit haar saaie imago
overboord met een schattige rol als verliefde kassierster. Je kunt
als kijker nooit zeker zijn wie al die personages precies zijn (en
of ze wel echt bestaan), maar de acteurs weten je toch een heel
eind mee te slepen.

Is ‘Synecdoche, New York’ een meesterwerk of pretentieuze troep?
Geen flauw idee, maar ik ben sinds David Lynch’s ‘Inland Empire’
niet meer zo verward en geïntrigeerd een cinema buiten gelopen. Dat
moet toch al iets willen zeggen, of niet?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 4 =