Albion zendt zijn zonen uit op een nieuwe folktronicagolf, zo spreekt de laatste tijd steeds sterker uit de radarwaarnemingen. Vooral de Londense laptoptroubadour James Yuill zien we graag voet aan wal zetten: ’s mans folktronische fusie van introspectie en warmbloedige electro laat de eeuwige mist boven het Kanaal in een klap verdwijnen.
De vloedgolf aan nieuwe folktronica-adepten bracht recent al moois van onder meer Jeremy Warmsley, Get Cape. Wear Cape. Fly en Rod Thomas, telkens geslaagde allianties tussen traditioneel singer-songwritermateriaal en flukse elektronica. De folktronies verkennen met hun naakte songs de bodem van het contemplatieve spectrum, maar trekken hun nummers tegelijk een blitse elektronica-reddingsvest aan, waardoor het toch temidden woelige wateren vertoeven is. Ook Yuill vermengt zijn introspectieve en langs melancholie scherende liedjes met een forse scheut elektronica, een aanpak die de luisteraar meer dan eens op het verkeerde been zet.
Biedt het zwerk maar een sombere aanblik, dan zijn er normaal twee muzikale opties. Of je zorgt voor een naadloze overgang naar die grijze grauwheid, of je opteert voor een shot verkwikking dat het wolkendek meteen opensplijt. Yuill gaat voor het beste van die twee werelden; de ingetogen schaduw van Nick Drake hangt onafgebroken boven Turning Down Water For Air maar tegelijk is ook de springerigheid van pakweg een Hot Chip nooit ver weg. Zo is in het onweerstaanbare "No Pins Allowed" lange tijd niet duidelijk of de knisperende folk of de eletro de bovenhand zal halen, maar aan het eind wordt de race gewonnen met glans door de stevige beats.
Ook in "No Surprise" wordt het pleit beslecht door de jubelende electro, maar het mooie is dat Yuill meestal het perfecte evenwicht weet te bewaren tussen de spaarzaamheid van zijn in wezen akoestische songs en het elektronische arsenaal in zijn laptop. De prachtige single "This Sweet Love" bewijst dat ten overvloede: voor je er erg in hebt, word je helemaal ingepakt door Yuills bedeesd opbiechten van liefdesgeluk dat zich genoeglijk wentelt in een bedje van verlegen elektronica.
Niet dat Yuill het hele album lang door de bloesemende boomgaard van grote liefde huppelt. De opgewekte elektronica laat dat uitschijnen, maar Yuill blijkt vaker niet dan wel aan het feest. De catchy songs worden veelal gesmeed uit vergeefs verlangen, teleurstelling en afwijzing, zoals hij er geen doekjes om windt in "Somehow" en "How Could I Lose". Wanneer de songsmid het stil houdt zoals in "Head Over Heels" en opener "You Always Do", beschroomde liedjes op kousenvoeten, staat hij er helemaal in zijn naakte eerlijkheid, en vinden wij deze wat nerdy Brit nog geen klein beetje aandoenlijk.
Nergens is die aandoenlijkheidsfactor hoger dan in "Head Over Heels", waarin Yuill de somberheid ruilt voor de ongeremde sentimentaliteit van een man die ’s ochtends ontwaakt zonder zijn lief. Ook de stuntelige eenvoud van "Left Handed Girl" charmeert: wat, waarom en hoe, de grote levensvragen maken allemaal niets uit want "I’m your right handed man / And you’re my left handed girl": ongecompliceerd kan dus ook.
Yuill maakt verder veel tekstuele referenties naar verdrinking en toegegeven, het gevaar erop dreigt al gauw wanneer fragiele singer-songwritersongs als deze worden ondergedompeld in bubbelende elektronica. Yuill weet deze klip echter handig te omzeilen, zonder ooit gekunsteld over te komen Met andere woorden, alle vertrouwen in deze kapitein aan het roer.



