The Bank Job




Based on a true story, kopt ‘The Bank Job’ in z’n
begintitels en op z’n affiches, maar zoals wel vaker, moet je ook
niet àlles geloven dat begintitels en affiches je vertellen. Wat in
ieder geval klopt, is dat er in 1971 in het Londense Baker Street
werd ingebroken in een bank, waarna de Britse overheid een
zogenaamde “D-notice” uitstuurde: een volledige blokkage van de
pers, die in alle talen diende te zwijgen over de hele zaak
(misschien wordt het toch eens tijd dat die Britten een grondwet
opstellen). De buit zou in ieder geval aanzienlijk zijn geweest –
zo’n vier miljoen pond, en dat in die tijd. Het embargo op
berichtgeving over de zaak heeft er echter voor gezorgd dat de
kraak een eigen leven is gaan leiden, met drukke speculatie over
mogelijke schandalen en betrokkenheid van de geheime diensten.

‘The Bank Job’ biedt een mogelijke theorie aan rond het hoe en
waarom van de inbraak, waarbij de scenaristen dankbaar gebruik
maken van andere historische gebeurtenissen en figuren uit die
periode, zoals Michael X (hier gespeeld door Peter De Jersey), een
militante zwarte voorvechter die zichzelf profileerde als de Britse
tegenhanger van Malcolm X, maar eigenlijk gewoon een pooier en
afperser was. Regisseur Roger Donaldson en schrijvers Dick Clement
en Ian La Frenais combineren die flarden historisch materiaal om
een caper movie te maken die amusant is zo lang hij duurt,
maar vervolgens ook vliegensvlug weer vergeten is.

Jason Statham speelt Terry Leather, een sympathieke ritselaar
die louche tweedehandswagens verkoopt. Op een dag wordt hij
aangesproken door een oude vriendin, Martine (Saffron Burrows), die
hem de perfecte misdaad aanbiedt: een tunnel graven tot in de kluis
van een bank, waar de rijken en machtigen niet alleen hun geld,
maar vaak ook hun smerige geheimpjes verbergen. Terry stemt in,
maar Martine heeft geheime motieven: zij wordt namelijk
gemanipuleerd door de geheime dienst. In de kluis van de bank
liggen immers foto’s waarop prinses Margaret te zien is in
flagrante delicto.
Die foto’s worden door Michael X gebruikt
als drukkingsmiddel om zijn criminele gang te mogen gaan. MI5 wilt
de foto’s recupereren, en dat doen ze dus via Martine. Na de kraak
betekent dat dus dat Terry plotseling de politie, de geheime
dienst, en een zwaar pissige partner van Michael X achter zich aan
krijgt.

Het is pas wanneer je die plot begint na te vertellen, dat je
beseft hoe complex hij eigenlijk is – want er gebeurt namelijk nóg
heel wat, inclusief een volledige nevenplot rond een notaboek dat
ook gestolen werd uit de kluis. Het scenario van Clement en La
Frenais onderscheidt zich niet met opvallende dialogen of
zelfbewuste twists and turns in de structuur, maar de
heren bouwen hun verhaal wel erg goed op, zodat ze de kijkers nooit
kwijtraken in het kluwen van hun verhaal of tussen de vele
personages die ze introduceren. Het tempo ligt hoog en je krijgt
als kijker de indruk dat de makers de intelligentie van hun publiek
respecteren, omdat ze zelden of nooit iets twee keer uitleggen.
Maar toch is altijd alles duidelijk, en leiden ze de toeschouwer
netjes naar de finale toe. Ondanks de vele wendingen die het
verhaal neemt, verliezen Clement en La Frenais trouwens nooit hun
geloofwaardigheid. De complottheorie die ze rond de mysterieuze
bankroof hebben gespannen, is al bij al niet eens zo ver gezocht,
en waar de specifieke plotwendingen dan toch minder waarschijnlijk
worden, weten ze het goed genoeg te verkopen om er mee weg te
raken.

Als verhalenvertellers brengen ze het er dus goed van af –
uitdieping van de personages is echter iets helemaal anders. Terry
is min of meer interessant, omdat hij een gelukkig getrouwd man is,
die behoorlijk in de verleiding komt wanneer hij Martine terugziet.
Zijn relaties met de twee vrouwen in zijn leven geven zijn karakter
net iets meer reliëf, maar eigenlijk mag dat nog steeds geen naam
hebben. De overige personages krijgen zelfs dat niet. Ze zijn er om
de plot te dienen, niet meer en niet minder.

Visueel pakt Roger Donaldson uit met een aardige evocatie van
het Londen van de grauwe jaren zeventig – geen man of hij heeft
bakkebaarden tot onder z’n oksels, geen vrouw of ze is beplaasterd
met dikke lagen opzichtige make-up. Donaldsons camerawerk is
relatief traditioneel (hoewel hij zich af en toe laat gaan met de
scheve kadreringen), maar doet, net zoals de hele film, wat hij
moet doen, zonder al te veel poespas.

Jason Statham is waarschijnlijk de beste slechte acteur van het
moment. De man speelt eigenlijk in elke film krek hetzelfde
personage – een sympathieke schurk die zich laat definiëren door
zijn hese stem en zijn kale knikker. Statham heeft intensiteit,
maar geen diepgang. Hij heeft charisma, maar is alles behalve
veelzijdig. Tot nu toe is dat in principe nog geen probleem
geweest, omdat hij zijn rollen altijd heeft uitgekozen om bij zijn
imago te passen. In ‘The Bank Job’ krijg je echter de indruk dat
een beter acteur een groot verschil had kunnen maken. Veel diepgang
heeft het scenario sowieso niet, maar in het geval van Stathams
personage zijn er wel aanzetten tot een extra dimensie (de relatie
met Martine en zijn vrouw) waar Statham geen rendement uit kan
halen. Daarvoor is hij te beperkt als acteur. Wat hij doet, doet
hij goed (grommen, cooler zijn dan eender wie in een straal van 100
kilometer) – alleen is dat niet bijster veel.

En dat is dan ‘The Bank Job’: degelijk gemaakt entertainment dat
zichzelf niet eens wilt wijsmaken dat het enige meerwaarde heeft.
Wat niet zo erg is, als je verwachtingen navenant zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 2 =