Scream




Tegenwoordig is het de normaalste zaak van de wereld, maar een
dikke tien jaar geleden was het nog erg uitzonderlijk dat een film
openlijk refereerde naar andere prenten. Filmpersonages gingen zelf
nooit naar de cinema, wat inhield dat ze zich nooit bewust waren
van de clichés waar ze in geplaatst werden. In het geval van de
horrorfilm bleven domme blondjes maar keldertrappen aflopen onder
het aarzelend uitstoten van een angstig “Halloooo?”, hoewel ze
eigenlijk beter hadden moeten weten. ‘Scream’ van Wes Craven bracht
daar verandering in – het was de eerste groots opgezette
zelfreferentiële horrorfilm, die met een spottende blik keek naar
de genreconventies die hij ondertussen zelf gebruikte. Gemaskerde
kerels zwaaien met scherpe messen naar rondborstige blondjes zoals
in de hoogdagen van de slashermovie uit de jaren zeventig, maar
ditmaal hebben al die blondjes ook wel ‘Halloween’ en ‘Friday the
13th’ gezien, zodat ze weten dat ze in een slashermovie zitten. In
1996 zorgde ‘Scream’ voor dan ook een revival van het genre en voor
de introductie van het soort ironische in jokes dat je
dezer dagen zelfs aantreft in elke animatiefilm die maar de revue
passeert.

Neve Campbell speelt Sidney Prescott, een scholiere wiens moeder
exact een jaar eerder vermoord werd. De vermoedelijke dader (een
cameo van een before he was famous Liev Schreiber, die in
de volgende twee films meer te doen zou krijgen) zit op death
row,
maar Prescott blijft worstelen met haar trauma’s. Dan
gebeuren er plotseling enkele nieuwe moorden: tieners overal in het
stadje krijgen telefoontjes van een sinistere Jack
Nicholson-achtige stem die hen vraagt wat hun favoriete scary
movie
is alvorens hen aan reepjes te snijden. Sidney en haar
schoolvrienden (uiteraard allemaal filmfreaks met een
encyclopedische kennis van de regels van het horrorgenre) zijn
allemaal potentiële slachtoffers.

François Truffaut heeft ooit gezegd dat de beste filmkritiek het
maken van een nieuwe film is, en dat is ook wel zo ongeveer het
bepalende principe achter ‘Scream’: dit is een film die commentaar
geeft op zichzelf. Keer op keer krijgen we discussies onder de
personages waarin ze hun eigen belevenissen afwegen tegen de plots
van gekende horrorfilms, of waarin ze praten over de identiteit van
de moordenaar, net zoals het publiek dat doet. Randy (Jamie
Kennedy), de ubernerd van de bende, stelt in een
overbekende scène zelfs de regels van de slashermovie expliciet op
een rijtje: als je seks hebt, dan sterf je. Als je drank of drugs
gebruikt, dan sterf je. Als je “I’ll be right back” zegt,
dan sterf je. Een vreemd geluid gaan inspecteren is ook geen
aanrader. ‘Scream’ knipoogt op die manier overduidelijk naar het
publiek: dit zijn de clichés van het genre, en wij als makers weten
dat zelf óók heel goed. Maar ondertussen volgen ze die clichés ook
wel, inclusief de maagdelijke heldin en de slechterik die aan het
einde nog één keer heel even tot leven komt.

Dat soort perikelen op metaniveau zijn ondertussen zodanig
de rigueur geworden dat een nieuwe film die ze gebruikt,
hooguit nog een opgetrokken wenkbrauw zou verdienen: alwéér een
regisseur en scenarist die zo nodig moeten bewijzen dat ze slim en
ironisch zijn. Maar in ’96 was dit allemaal nog nieuw en vers.
‘Scream’ combineerde het beste van twee werelden – een ironisch
toontje dat zorgde voor echt goeie grappen (zoals een scène waarin
de personages speculeren over wie hen zou spelen in de filmversie –
with my luck, I’d probably get Tori Spelling”), maar
anderzijds ook suspensescènes die sterk genoeg waren om er echt een
spannende film van te maken. De openingssequens, waarin Drew
Barrymore 12 minuten lang haar eigen minifilmpje krijgt, is en
blijft een bijzonder strak geregisseerd stukje horrorcinema en ook
de lang gerekte finale (40 minuten die zich afspelen in hetzelfde
huis!) mag er wezen.

De ‘Scream’-trilogie was één van de definiërende filmervaringen
van de tweede helft van de jaren negentig, met verrassend genoeg
een nog sterker tweede deel (jawel, sla me dood als het niet waar
is) en weliswaar een teleurstellend derde hoofdstuk. Het was ook
een periode van tijdelijke opflakkeringen in verder comateuze
carrières. Wes Craven had voor ‘Scream’ al een kleine tien jaar
lang niets meer gemaakt waar hij echt mee had gescoord, en sinds
het einde van de trilogie heeft hij dat ook niet meer gedaan.
Scenarist Kevin Williamson werd na deze film eventjes flavour
of the month
in Hollywood, en pende nog een aantal
zeer gelijkaardige scripts, die echter nooit hetzelfde niveau
haalden. Hij plagieerde zichzelf haast met minderwaardige pogingen
als ‘I Know What You Did Last Summer’ en (run away!)
‘Teaching Mrs Tingle’. Na 2000 heeft de wereld dan ook nog maar
weinig van hem gehoord, in principe een one hit wonder
wiens liedje vliegensvlug snel was uitgezongen. Neve Campbell komt
wel nog aan de bak, maar iedereen die haar de voorbije drie à vier
jaar nog in de cinema heeft gezien, mag nu z’n hand opsteken.

De acteurs vormen sowieso het grootste probleem met ‘Scream’:
Neve Campbell is oké in de hoofdrol en Rose ‘zie mijn tepels
priemen!’ McGowan is erg grappig als haar beste vriendin Tatum,
maar in de bijrollen wordt er ook behoorlijk wat geschmierd: Skeet
Ulrich kanaliseert een jonge Johnny Depp als Sidney’s vriendje
Billy, maar beperkt zich helaas tot zijn looks, zonder
zich al te veel te bekommeren om zijn acteertalent. Matthew Lillard
is dan weer ronduit irritant als Tatums vriendje Stuart. Courtney
Cox breekt op een leuke manier met haar imago van ‘Friends’ (Monica
die fuck zegt, hell yeah!), terwijl haar halve
trouwboek David Arquette (ze leerden elkaar kennen op de set,
schattig) zijn rol als duffe hulpsheriff er dan weer te dik oplegt.
Dat is een gebrek dat minder aan de orde zou zijn in ‘Scream 2’
(ook al gedeeltelijk omdat een aantal van die personages de sequel
niet zou halen) – maar hier lijken de acteurs vaak onzeker over de
toon van het script, en in welke mate ze het komisch dan wel
serieus moeten spelen. Het gevolg is een erg oneffen cast, waarin
sommigen de juiste noot direct vinden en anderen tot op het einde
vruchteloos blijven zoeken.

‘Scream’ is zo’n film waarvan mensen tegenwoordig niet graag
toegeven dat ze hem ooit graag gezien hebben – de prent werd
ingehaald door de tendensen van de filmindustrie, die hetzelfde
basisidee (“spot eens met een genre”) eindeloos bleef herhalen en
uitmelken. ‘Scream’ werd, of dat nu de bedoeling was of niet, de
bron van een nieuwe set clichés en conventies, die op zichzelf al
weer rijp zijn om te parodiëren (of misschien ook niet; zie de
onzalige ‘Scary Movie’-reeks). Wie de film kan zien voor wat hij
is, als een product van zijn tijd, houdt echter nog steeds een
sterke prent over.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + 14 =