Scream (5)

Na een paar onnodige sequels, parodieën (Scary Movie) en een hoop flauwe afkooksels (denk aan I Know What You Did Last Summer) zou men bijna vergeten dat Scream, uitgebracht in 1996, het langzaam wegkwijnende slasher-genre met frisse inventiviteit wist te herlanceren.  De voornaamste reden daarvoor was dat de film bol stond van zelfreferentiële knipogen naar de slasher en regisseur Wes Craven de conventies slim uitspeelde om er een spannende, met satire-doordrenkte genrefilm van te maken.  Het succes was enorm, en zelfs mensen die na de eeuwwisseling geboren zijn kennen zonder twijfel het iconische Ghostface-masker, dat in de betere carnavalswinkel trots langs de maskers van Jason Voorhees, Michael Myers of Darth Vader zal liggen.  Hollywood zou Hollywood niet zijn moest het zo’n franchise niet proberen uit te melken en bijgevolg zal dit vijfde deel (helaas) ook niet het laatste zijn.

Deze nieuwe toevoeging, onder regie van Matt Bettinelli-Olpin en Tyler Gillett (Craven die de eerste vier delen regisseerde overleed in 2015), wil zichzelf profileren als een film die ergens het midden houdt tussen een sequel en een reboot – de zogenaamde ‘requel’ – getuige daarvan de titel die simpelweg Scream luidt zonder daar een getal achteraan te plakken – al wordt de film her en der wel degelijk uitgebracht als Scream 5.  De redenering daarachter wordt ons tot vervelens toe in de strot geduwd door de personages, die net als in de vorige delen op meta-niveau tetteren over de ’Stab’-filmreeks (de film in de film) die voortvloeide uit de gebeurtenissen van de eerste Scream uit 1996.  De weinig inspirerende plot laat zich ook hier weer omschrijven als een hecht groepje vrienden, wederom allemaal horrorfanaten, die van binnenuit de groep bedreigd en vermoord worden door een nieuwe, zelfverklaarde ‘Woodsboro-killer’.  De steevast terugkerende personages Gale Weathers (Courteney Cox) en Sidney Prescott (Neve Campbell) hebben Woodsboro voorgoed achter zich gelaten, totdat ze natuurlijk lucht krijgen van de nieuwe golf steekpartijen.  Naarmate de slachtpartijen frequenter worden, groeit als vanouds ook het wantrouwen tussen de jongelingen die elkaar proberen te doorgronden op zoek naar de persoon achter het masker.  

De makers proberen hier en daar de mes-aanvallen brutaler in beeld te brengen, wat zeker de fans van de reeks zullen appreciëren: een torso dat opengereten wordt en een mes dat in een wang geramd wordt om er enkele centimeters verder weer uit te priemen zijn op zich nobele pogingen om de franchise qua ‘gore’ een klein beetje nieuw leven in te blazen, maar dat neemt niet weg dat al deze moordpartijen, en zeker de aanloop ernaartoe, dermate flauw en repetitief zijn dat er van spanning nauwelijks sprake is.  Scream is natuurlijk het slachtoffer van de eigen erfenis, die na vier films en een dertig afleveringen tellende TV-serie zichzelf heeft vastgereden in een formule waar Bettinelli-Olpin en Gillet duidelijk niet aan durven sleutelen: de moordenaar belt zijn slachtoffer op (om voor de duizendste keer te vragen “Do you like scary movies?”), speelt even met zijn/haar voeten om dan – verassing – plots tevoorschijn te komen, uit te halen met zijn mes, vervolgens nog wat weerwerk krijgt (meestal een stamp die hem uit evenwicht brengt) om dan uiteindelijk toch aan het langste eind te trekken.  Dat gaat zo twee uren door, en het feit dat de camera ons een paar keren in de luren wil leggen is hier eerder een flauwe, voorspelbare ingreep dan iets wat bijdraagt aan het effect van de ‘jump scare’ (Als de moordenaar niet achter de dichtslaande deur van de ijskast staat, en ook niet achter dat gordijn zal hij wel in het volgende shot tevoorschijn springen zeker?). 

Het is bijzonder jammer dat het regisseursduo op bijna geen enkele manier enige variatie op de vorm en inhoud van de voorgaande films aan de dag weet te leggen, iets wat ze in hun vorige film Ready Or Not wel nog deden, een prent die eigenlijk hetzelfde uitgangspunt – mijn schoonouders willen mij dood – overnam van Jordan Peele’s Get Out maar dan wel invulde met een aanstekelijke lichtvoetigheid en een over-the-top betoog tegen ziekelijke decadentie.  In plaats daarvan blijft het duo hier doorborduren op de mechanismen van de slasherfilm,  meer bepaald die van Scream en bij uitbreiding dus ook Stab, waarbij in zowat elke scène bewezen moet worden dat de bordkartonnen personages perfect op de hoogte zijn van de typische ‘do’s’ en ‘dont’s’ maar in feite te lomp zijn om die ook effectief toe te passen eens ze geconfronteerd worden met hun rol van opgejaagd wild.  Op die manier lijkt het alsof Bettinelli-Olpin en Gillet hun publiek een beetje voor schut willen zetten: “We weten dat dit inspiratieloze bagger is, maar zolang jullie net als de personages in onze film kaartjes blijven kopen doen wij lekker door waar Wes gestopt was”.  Het moet wel gezegd: David Arquette, Jenna Ortega en Mikey Madison (één van de ‘goddamn’ hippies’ uit Once Upon A Time In Hollywood) spelen hun rol verdienstelijk en er zitten een paar leuke vondsten in zoals de locatie-tracker-app (helaas niet ten volle benut), maar ondanks die weinige zaken, begint de franchise door een zwak scenario en gebrek aan vernieuwing meer en meer op een moegestreden racepaard te lijken dat eigenlijk bij de derde film al finaal door de knieën was gezakt.  

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + vier =