Seraphine






Séraphine de Senlis. Ondanks onze basiskennis esthetica en ons
kloppend hart voor de kunst, moesten we toch heel diep in onze
coiffure krabben naar wie deze dame dan wel mocht zijn. En neen, er
ging geen belletje rinkelen, er viel geen frank. Séraphine is dan
ook een kunstenares die vrijwel nooit apart vernoemd wordt. Ze was
geen toonaangeefster van een kunststroom, had geen vernieuwende
ideeën over kunstbeleving, Séraphine was gewoon een dametje dat
ervan hield om afgezonderd in haar kamertje bloemen en fruit te
schilderen, het liefst al zingend. Een eenzaat die graag met een
stoeltje onder een boom of in het gras zat om de frisse geur op te
snuiven en te genieten van het landschap. Had niemand haar talent
opgemerkt en haar groot gemaakt, dan zat ze daar wellicht nu nog te
genieten. In de kunstencyclopedieën is ze terug te vinden in het
rijtje van de ‘naïeve schilders’, een reeks artiesten van
bescheiden afkomst die hun talent aanwendden voor naïeve,
instinctieve, eenvoudige schilderwerkjes. De zondagsrijders onder
de schilders dus: genietend van de kleine dingen. Van de vorm en
kleuren van bloemen en appels bijvoorbeeld.

Begin vorige eeuw. Séraphine (Yolande Moreau) is een koddig
dametje. Uiterlijk is ze zowat de kruising tussen mevrouwtje
Theelepel en Mary Poppins, innerlijk kan je haar het best typeren
als een bescheiden survivor met een hart waar vooral veel
plaats is voor de Heilige Maagd Maria. De opdracht om te schilderen
kreeg ze trouwens ingefluisterd van de engelen hierboven. Overdag
werkt ze zich te pletter, klust overal bij waar ze kan, vooral als
huishoudster in een groot landhuis. ‘s Nachts steekt ze haar
kaarsjes aan en zingt en schildert ze, tot ongenoegen van haar
huisbazin, bloemenmotieven in een naïeve, maar schattige stijl.
Wanneer kunstcriticus en -verzamelaar Wilhelm Udhe (Ulrich Tukur)
in het landhuis komt logeren en ze zijn ‘femme de ménage’ wordt,
krijgt de man één van haar werkjes onder ogen en is hij meteen
helemaal weg al haar primitieve pracht. Zij denkt aanvankelijk dat
hij haar uitlacht met zijn vleierij, maar hij meent het en het
stimuleert Séraphine om productiever te zijn dan ooit.

Regisseur Martin Provost brengt een ode aan Séraphine zoals ze
het wellicht zelf ook had aangepakt: niet te veel tralala, weinig
camerabewegingen, een sobere, bescheiden en realistische
benadering. ‘Séraphine’ is een heel rechtlijnige biografie
geworden: zonder omwegen, flashbacks of zijsprongetjes wordt het
leven van dit koddige dametje van a tot z uit de doeken gedaan.
Geen belangrijke gebeurtenis wordt weggelaten, geen detail
vergeten. Het eerste uur van de film is bij uitstek het
interessants: op een intrigerende manier leren we Séraphines geheim
kennen: we zien haar bloed stelen bij slager waar ze werkt,
kaarsvet gappen in de kerk en allerlei kruiden en planten plukken.
Pas later zien we waarvoor dit alles dient: ze maakt er verf mee om
haar schilderijtjes kleur te kunnen geven. Een leuke aanloop om het
verhaal te beginnen. Ook de ontmoeting met Wilhelm Udhe fascineert,
het voorzichtig aftasten tussen hun twee standen ontstaat uit een
wederzijds gevoel van respect en bewondering.

Yolande Moreau als Séraphine geeft zich vollédig. Ze maakt van
het gekke dametje een waardig personage om een hele film rond op te
bouwen. Ze slaagt erin om een mysterie te hangen rond deze unieke,
wat vreemde vrouw en haar met de nodige lichaamstaal en ingetogen
uitstraling een plaatsje in ons hart te doen winnen. Ze entertaint
door gewoon heel sterk te acteren. Door de lineaire aanpak kunnen
we bovendien mooi de evolutie mee volgen die onze heldin doormaakt:
stilletjesaan krijgen de stemmen in haar hoofd de bovenhand.

Provosts drang naar volledigheid speelt in het tweede uur wel in
zijn nadeel. Hij wil echt het volledige verhaal vertellen, maar de
tweede helft van de film, vanaf de vlucht van Udhe voor de
Duitsers, is gewoon veel minder boeiend en te langdradig. De
rijkdom die Séraphine plots naar het hoofd stijgt (ze koop een
kasteel, de zotte trees!) en haar mentale achteruitgang worden feit
per feit verteld, zoals het wellicht ooit in haar memoires
opgeschreven werd, terwijl die opsomming eigenlijk niet nodig was.
Bij het hele stuk in het gekkenhuis had hij er zich best met wat
witte letters op een zwarte achtergrond vanaf mogen maken. De
boodschap was allang duidelijk, haar verhaal verteld. Onze
interesse nog net scherp genoeg. Zoals dat in de kunstwereld vaak
een levenswijsheid blijkt, is het vaak beter om te stoppen op het
hoogtepunt, in plaats van zachtjes uit te doven.

Het maakt dat ‘Séraphine’ niet meer is dan het pretendeert te
zijn: een schilderijtje dat je op zolder terugvindt, verscholen
achter een hele hoop dozen. Je blaast het stof eraf en niet alleen
de oorsprong van het schilderij wordt bekendgemaakt, ook de
schilder wordt eventjes nieuw leven in geblazen om daarna weer
rustig spinnenwebben te gaan vangen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − een =