Diamanda Galás :: Guilty Guilty Guilty

Avant-garde hogepriesteres Diamanda Galás bewijst dat de blues gevrijwaard is van zelfopgelegde beperkingen waar andere genres niet onderuit kunnen. Blues is spirituele, emotionele, instinctieve beleving en draait rond dat gevoel. De uitbeelding daarvan is vrij, zolang niet geraakt wordt aan de essentie. Met Guilty Guilty Guilty laat Galás andermaal horen hoe ze zich de blues toegeëigend heeft op een manier die afgrijzen én ontzag opwekt.

Ooit was het wel anders. In de jaren tachtig en begin jaren negentig zorgde ze voor enkele van de meest confronterende platen uit de muziekgeschiedenis. Het was radicale avant-garde: duistere, grensverleggende en vooral extreme muziek. Het ging niet om nu en dan buiten de lijntjes van het conventionele kleuren, maar om het volledig negeren van die lijnen, om het creëren van georganiseerd (nu ja) geluid op een manier die geen mens ooit eerder hoorde. Muziek als provocatie, als auditief geweld zelfs, en dat met een fenomenale stem die tot dingen in staat was die niemand voor mogelijk had gehouden. Voor de eerste keer haar debuut The Litanies Of Satan (1982) ondergaan, is een belevenis die zelfs de meest geharde melomaan nooit zal vergeten. Net zoals zo veel andere artiesten vóór haar, zowel uit de marge als de mainstream, is de diva daarna meer aansluiting gaan zoeken bij de roots.

Galás waagde zich met The Singer (1992) aan de blues. “Gloomy Sunday” en “I Put A Spell On You” groeiden zo uit tot grauw exorcisme dat de gemiddelde genreliefhebber de gordijnen in joeg. Ze bleef echter terugkeren naar de stijl en verwante rootsmuziek: op het essentiële livealbum Malediction & Prayer (1998) tilde ze B.B. Kings “The Thrill Is Gone” en Motown-classic “My World Is Empty Without You” naar onvergetelijke hoogtes, iets dat ze in 2003 overdeed met Hank Williams’ “I’m So Lonesome I Could Cry” en John Lee Hookers “Burning Hell” op La Serpenta Canta. “My hobby is watching anything that has to do with domestic abuse”, liet ze ooit half schertsend optekenen, maar het blijft een feit dat pijn, verlies, misbruik en wanhoop terugkerende thema’s zijn in haar vaak geëngageerde werk.

Als Galás blues speelt, dan benadert ze die puurheid alleen, zichzelf begeleidend op piano. De essentie mag dan wel duidelijk zijn, de uitvoering blijft erg taaie kost. Met haar immense bereik, frequent uitbarsten in bars gegrom, hysterisch gekrijs en alles daartussen blijft de vocale schizofrenie het centrale onderdeel, maar meer en meer slaagt ze erin dat geweldige instrument ten dienste te stellen van iets conventionelere muziek, zonder daarbij aan zeggingskracht in te boeten. Ze doet niet aan covers, maar wel aan interpretaties, en wat ze soms uit een song weet te putten of eraan toe durft te voegen, is nu eens verbluffend en dan weer goed om op ongeloof onthaald te worden. Je vraagt je af hoe Timi Yuro zou gereageerd hebben op de nieuwe versie van “Interlude (Time)”. Het draait bovenal om expressie, en de stem zorgt in combinatie met haar percussieve pianospel voor een ijzingwekkende mengvorm die het terrein tussen Kurt Weill, Cecil Taylor en Nina Simone verkent.

Het opzet van dit livealbum is dus niet nieuw en bevat hoegenaamd weinig verrassingen. Toch zorgen deze zeven songs, grotendeels opgenomen tijdens “Diamanda’s Valentines Day Massacre” in 2006, opnieuw voor een ervaring die enkel bij haar te verkrijgen is. Opnieuw waagt ze zich aan een aantal klassiekers — “Long Black Veil”, “O Death” en “Autumn Leaves” zijn waarschijnlijk de meest ronkende titels — en zij die enkel zweren bij de traditionele uitvoeringen doen er goed aan om deze kelk aan zich voorbij te laten gaan. Als “Long Black Veil”, een countryklassieker waarvan de perverse invalshoek (een geëxecutioneerde doet zijn verhaal uit de doeken) nog een behoorlijk ingetogen versie meekrijgt, dan wordt “Autumn Leaves” richting onbekend terrein geduwd en krijgt “O Death” een negen minuten durende, theatrale uitvoering mee die evolueert langs pieken en dalen, van donkere strompelblues to delirische vocale gymnastiek.

Nu ze de vijftig voorbij is, valt het op dat Galás vaker de veiligheid van de lagere stemregisters opzoekt (het verschil met de zang op Malediction & Prayer, acht jaar eerder opgenomen, is frappant), maar het verleent haar muziek een toepasselijke zwaarmoedigheid die zorgt voor een prachtig resultaat tijdens “Heaven Have Mercy” (en haar versie is beter dan die van Edith Piaf), dat ondanks z’n sobere aanpak evenveel impact heeft als het met effecten en lagen volgestouwde “8 Men And 4 Women”, dat de plaat opent door vervaarlijk dicht tegen de chaos aan te leunen. Guilty Guilty Guilty is niet de verrassendste, noch de beste Galás, maar het is wel een nieuw, intrigerend hoofdstuk in een van de meest fascinerende verhalen van de hedendaagse muziek, en een uitgelezen kans voor nieuwelingen om de artieste te leren kennen met een naar haar normen toegankelijke en soms bloedmooie plaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 18 =