Fonda 500 :: Je M’Appelle Stereo

Ze zijn actief sinds eind jaren negentig, hebben lak aan conventies, slaagden er nog niet echt in gigantische luisterbereidheid bij het publiek af te dwingen, maar blijven hardnekkig proberen om iets te bereiken. Fonda 500 en de verovering van de wereld in 40.000 stappen, deel zes: Je M’Appelle Stereo.

Fonda 500 is, voor wie niet vertrouwd mocht zijn met de indie-scene van het Britse Kingston Upon Hill, een vijfkoppig gezelschap rond de 120 kilogram torsende frontman Simon Stone en gitarist Nicholas Broten. Het debuut, Eight Track Sound System, verscheen in 2000 en de negentien songs die in nauwelijks drie kwartier de revue passeerden, zorgden destijds voor het ontstaan van een kleine schare volgelingen.

Dat moet indruk gemaakt hebben op Fonda 500 en bijna een decennium later maakt de band nog steeds platen, niet tot geringe vreugde van exact hetzelfde groepje fans, waarvan de leden elkaar onderhand bijna allemaal bij de voornaam aanspreken. Jep, de strijd van Fonda 500 voor een plaats aan het firmament is nog niet beslecht. In die strijd zijn alle middelen goed, zo lang ze maar passen in het kinderlijk naïeve plaatje dat de band tot stijlkenmerk geadopteerd heeft. En vooral niet professioneel aandoen.

Dat heeft tot gevolg dat het artwork van de nieuwe plaat als vanouds spuuglelijk is en de helft van de nummers onder de noemer “leuk idee, maar…” vallen. Gelukkig is er ook goed nieuws: de andere helft van de songs bruist immers van zoveel aanstekelijkheid en levensvreugde dat ook Je M’Appelle Stereo een plaat is die de moeite van het beluisteren waard is, ondanks het ietwat nukkige karakter van het album.

Gelukkig sluit die nukkigheid zachtaardigheid niet uit en daar grossiert Fonda 500 dan ook veelvuldig in. Zo is er de rond een akoestische gitaar opgebouwde opener “Music Should Always Be Played By The Hands Of The Animal” die heerlijk breed uitwaaiert en een perfect evenwicht vindt tussen het kinderspeelgoed van de vroege CocoRosie en de meeslependheid die Grandaddy ooit zo onweerstaanbaar maakte.

In andere nummers lukt het Fonda 500 minder die evenwichtsoefening tot een goed einde te brengen en helt het gezelschap te veel naar een kant over, met soms niet al te beste gevolgen. Zo zijn de kinderlijke beats in “Meet The Bear” ronduit slaapverwekkend. Aan het andere uiterste bevindt zich het akoestische “Silver Sounds”, dat, wanneer afgespeeld in minder dichtbevolkte gebieden, ongetwijfeld roedels wolven aan het huilen krijgt. Dan liever het instrumentale “Everything Is Connected”: op een sfeervolle manier wordt melancholie opgebouwd als honing zo zoet.

“Push Button Skillz” ten slotte, is een droom van een song: beginnend als een simpele rockdeun, meandert het nummer langs indie-pop om ten slotte af te sluiten als een funky dancesong en dat alles zonder één ogenblik eigenaardig of onnatuurlijk over te komen. En dat is de kracht die Fonda 500 kenmerkt, of toch in de beste nummers die het gezelschap in de aanbieding heeft: het meest onzalige idee op zo’n manier in de praktijk brengen dat het een wereldsong wordt. Nu nog en publiek dat plat gaat voor die gave en alles komt in orde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × twee =