Kettel :: Myam James Part I

Sending Orbs, 2008

Promopraatjes toch. Als we Kettels label mogen geloven, is Reimer
Eising, de man achter dit project, een halvegare die onophoudelijk
praat over fietsende baarzen, en heeft hij net voor het toeslaan
van de algehele psychose deze plaat nog kunnen afwerken. De titel
kondigt alleszins ambitie aan. Kettel komt uit dezelfde stal van
Blamstrain,
Legiac en
Secede, en je
merkt ook een zekere verwantschap met de soundscapes van
laatstgenoemde: veel dwarrelige bliepjes en een bad van
weemoedig-blije synths, een accuraat gevoel voor compositie, en
helaas ook geen tanden.

Dat Aphex
Twin
een maniakaal genie is, daar is iedereen al ten overvloede
van overtuigd. Maar daarom hoef ik niet zestien jaar na het
verschijnen van ‘Selected Ambient Works’ een gemankeerde back
catalogue van ‘s mans werk te horen op de plaat van een ander. Gek
genoeg weerspiegelt dit een kritiek die ik al eerder had op het
werk van Kettels spitsbroeder Secede, die eveneens moeite had een
volledig trefzekere, eigen sound te ontwikkelen, ondanks
overduidelijk technisch meesterschap. Daarbij komt ook nog dat de
idm-markt de laatste jaren vergeven is van de deuntjes die zwemen
naar nintendopop, mikken op gekunsteldheid om er een soort verlegen
aandoenlijkheid mee te verbeelden, maar er veelal slechts in slagen
een goedkoop aftreksel te worden van nostalgia-meisters Boards of
Canada
.

Het openingsnummer van ‘Myam James Part I’, ‘The Wombat’, zet de
toon voor het grootste deel van de rest van de cd: onbezorgd,
vrolijk, hier en daar doorschoten met een vleugje piano of een
andere instrumentatie, maar tegelijk ook heel vrijblijvend. Je
merkt wel dat er iemand aan de knoppen draait die er verstand van
heeft, maar wel erg binnen de lijntjes kleurt. En om eerlijk te
zijn gaat dat piepende gezwiep tegen het nummer ‘Church’ al op de
zenuwen werken. Dan zijn we aan de helft van de cd. Samples die wat
ouderwets klinken en af en toe zwemen naar tijden dat
elektronica-apparatuur best beperkt was, zijn in de handen van
Kettel soms leuk, maar meestal gedateerd en oubollig. Soms zit het
hem ook in de details. Wat die tierende Nederlander komt doen in
‘Palle’s Popsong’ is een volslagen raadsel. ‘Twinkle Twinkle’ is
best een goed nummer, maar had beter geweest indien het gedragen
was geweest door een stem, een aanwijzing die het minder
richtingloos gemaakt had.

Nu heeft Kettel niet alles tegen. Soms werkt de popbenadering van
oudere elektronica wel goed. Het nummer ‘Kroost Kids’ bijvoorbeeld
bouwt anagogisch op en slaagt erin de rondzwemmende kleine samples
en structuren te integreren in een grootser geheel met spaarzame
koren dat uitnodigt tot meer beluisteringen. Trouwens ook mooi dat
Kettel hier zijn moedertaal even durft gebruiken, wat niet evident
is in een door en door verengelste wereld als idm. Ook ‘Ende’
klinkt door de dromerige, langer uitgesponnen synths minder
gekunsteld en kan zelfs bestempeld worden als een elektronische,
stemloze ballad, een slow voor de verstokte meerwaardezoeker in
idm-land.

Al bij al doet Kettel dat niet slecht, maar het is hoe dan ook een
veeg teken als het beste nummer van je album een remix is, die door
een andere artiest gemaakt is (‘My Dogan’, geremixt door
Phoenicia). ‘My Dogan’ is een wijd uitlopend nummer met de diepgang
van een stug vrachtcontainerschip dat over elektronische baren
zwalpt. De remix van ‘Church’ door Secede is dan weer een stuk
minder interessant. In elk geval moet Kettel niet wanhopen: ik wens
dat ‘Myan James part II’ een plaat wordt waarin Kettel meer een
eigen stem vindt, en dat hij een steengoed nummer schrijft over
fietsende baarzen.

http://www.sendingorbs.com/content/artists/kettel
http://www.myspace.com/captainkettel

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + 8 =