Johnny Dowd :: A Drunkard’s Masterpiece

Dowd liet voor het eerst van zich horen in 1998, met het pikzwarte outsider album Wrong Side Of Memphis dat snel zijn weg naar de liefhebbers van de weirde rootsmuziek vond. Na tien productieve jaren verblijft de man nog steeds in een afgeschermde gevarenzone waar hij, en hij alleen, de wetten bepaalt.

De voortgebrachte kwantiteit van het afgelopen decennium is ronduit indrukwekkend: zeven studioalbums, twee live-albums, een experimenteel uitstapje in eigen beheer, een restjesverzameling en een samenwerking met Jim White als Hellwood. Gelukkig staat tegen die berg opnames ook voldoende materiaal dat na enkele jaren nog altijd tot het meest avontuurlijke en originele uit onze platencollectie behoort. Afzonderlijk beschouwd zijn ’s mans albums te tegendraads om te kunnen spreken van onmisbare meesterwerken, maar als geheel vormen ze een kleurrijke en provocerende aanval op de wetten van het muziekgebeuren.

Voor velen is de steeds terugkerende vraag of hij het nu meent of niet het ultieme struikelblok, maar dat zal de muzikant-dichter en zelfverklaarde pervert worst wezen. Ook op A Drunkard’s Masterpiece wordt er voor verwarring gezorgd door theatrale songblokken die over alles en niets kunnen gaan. Dood, verderf, geweld, seks, overspel en waanzin maken nog steeds de orde van de dag uit, al klinkt het intussen gestroomlijnder dan ooit tevoren. Dit heeft ongetwijfeld voor een groot stuk te maken met de grotere input van orgelist Michael Stark en drummer Brian Wilson, die de hoekige jazzfunk van hun project Tzar een prominente plaats toebedeeld hebben.

Dowd laat het merendeel van de zangpartijen opnieuw over aan de teruggekeerde Kim Sherwood-Caso, die met haar ijselijk vlakke stem opnieuw het perfecte tegengewicht biedt voor het oudemannetjesgekras van Dowd. Op dit zevende album heeft de songschrijver de restanten van de rootsmuziek bijna volledig van zich afgeschud en kiest hij voor een excentrieke bastaardvorm van rock, funk, jazz en fucked-up onzin waar al naar gehint werd op eerdere platen als Temporary Shelter, Cemetery Shoes en het toegankelijker Cruel Words uit 2006. Dowd blijft de koning van de zonde, het gezever en het rondgesmodderde zaad.

Laat er echter geen twijfel over bestaan, een coherentere plaat is geen toegeving: de songs van het eerste van drie opussen (“Everybody Wants To Go To Heaven, But Nobody Wants To Die”) lijken genoegen te nemen met minimalistische broeierigheid. Ze hebben ook elk de opgestoken middenvinger in de aanslag, met verwijzingen naar het kruis van Norah Jones, songs die halverwege disintegreren in jazzy gefriemel (“Random Thoughts”), zieke metaforen en carnavaleske dansmuziek (“Infidelity/Gargon vs. The Unicorn”). Nu en dan klinkt het als de experimentele Tom Waits zonder de bluesobsessie, dan weer als een indie-versie van Beefhearts rariteitenkabinet.

Er zijn verwijzingen naar Dylan, Bukowksi, ZZ Top en Hitler en als vanouds verdwaalt de meester wel eens in z’n eigen gewauwel, maar net zo vaak wordt er uitgehaald met stijl. Zo is het tweede opus (“Putting Lipstick On A Pig”) samengesteld uit songs die live ongetwijfeld voor het nodige vuurwerk zullen zorgen: het stampende “Johnny’s Got The Mic” (“I’m a walking abstraction” kondigt hij met de nodige zelfkennis aan) en “Easy Money”, een relaas over een geschifte nonkel, zijn lappen freakrock waarin de geesten van Zappa en Pere Ubu het op een robbertje vechten zetten.

En zo gaat het een kleine zeventig minuten verder, met hilarische spoken word-passages, portretten van overspelige halvegaren en obsessieve marginalen, bezoekjes aan gay Paree en knipoog naar “Smoke On The Water”. Geef toe: zelfs Nick Cave zou songs zelfs niet bundelen onder de noemer “Thou Shalt Not Covet Thy Neighbor’s Ass” (Opus 3). A Drunkard’s Masterpiece is niet de essentiële Dowd (geen idee welke dat wel is) die het suggereert te zijn, maar biedt wel opnieuw een unieke introductie tot de wereld van een van de overgebleven, échte orginals en is dus uitgelezen kost voor al wie niet vrij van zonde is.

Op 1 mei staat Dowd met band in de Antwerpse Arenberg. De dag nadien speelt hij ten dans in de N9 (Eeklo).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen + 4 =