Import / Export




Hou je Hairspray soundtrack (of wat je dan ook maar ‘instant
happiness’ verschaft) achter de hand, want de kans dat je na
‘Import/Export’ op je depressietest de uitkomst “ik heb het
gevoel dat ik als mens volledig mislukt ben
” scoort, is hoog.
Zeer hoog zelfs. Nee, het is geen luchtige spaghetti die de
Oostenrijkse heilige-huisjesverpletteraar Ulrich Seidl in onze maag
splitst – zijn tweede langspeler valt geheel te vangen onder het
fleurige motto ‘life’s a bitch and then you die‘ – maar
voor een straffe film laat een ware liefhebber zich echter al eens
vrijwillig uit zijn lood slaan en ‘Import/export’ is zeker de
geseling waard. Ziekelijk en verdorven, maar evenzo intens, intiem
en zelfs pakkend. Seidls grimmige en confronterende visie op het
kille westen en het zondige oosten is een aanklacht tegen alle
denkbare on’s uit onze maatschappij: onrecht, onmenselijkheid en
ongelijkheid. Niet echt een film die je meteen opnieuw wilt zien,
maar tot die tijd blijft hij gegarandeerd nog lang genoeg in je
wakker geschudde hersenkamers kamperen.

Export edelweissdansjes op de heide, import miserie met de grote
M dus. Twee verhalen lopen door elkaar en slaan geografisch in
tegengestelde richting hun vleugels uit. Twee jonge mensen zijn op
zoek naar werk en een beter bestaan. Olga is een Oekraïense die
haar jobs als onderbetaalde verpleegster en webcamhoer opzegt om in
Wenen aan de slag te gaan als poetsvrouw in een bejaardentehuis.
Daar krijgt ze te kampen met jaloezie én een torenhoog vooroordeel
als inwijkeling uit het oosten. De Oostenrijkse relschopper Pauli
wordt ontslagen als nachtwaker in een winkelcentrum en trekt uit
geldgebrek van West naar Oost om met zijn stiefvader in de
armtierige buurten van Oekraïne snoepautomaten te plaatsen. Alleen
wil zijn stiefvader er meteen ook een snoepreisje van maken en
alles wat beweegt zijn bed in lullen. De meningsverschillen tussen
de twee lopen hoog op.

Regisseur Ulrich Seidl heeft zijn naam van onruststoker niet
gestolen. Hij is een uitlokker, staat steeds met de vuisten gebald,
klaar om de waarheid in je gezicht te boksen. Met ‘Import/Export’
houdt hij ons een spiegel voor waarin we de rimpels en slechte
gelaatstrekken van ons Europa uitvergroot zien. Dat blijkt een
wereld waar vrouwen als producten worden verhandeld en de ouden van
dagen achter een gordijn weggemoffeld worden. Hij toont dingen die
we niet willen zien of liever niet willen weten en plaatsen waar we
nooit willen komen. En nog het liefst op een vrij expliciete
manier, in drukletters en met uitroeptekens. Olga die op bevel van
een klant voor de camera haar billen uit elkaar trekt tot het een
waar anatomisch onderzoek wordt. Een hoertje dat al blaffend op
handen en voeten door een hotelkamer loopt tot groot jolijt van
Pauli’s stiefvader die haar daar met geld kon toe aanzetten.
Beelden die open en bloot, maar niet ongegrond zijn (hij had nog
verder kunnen gaan) – ze maken deel uit van het verhaal in al zijn
aspecten en in al zijn overtuigingskracht en illustreren perfect de
macht van het geld.

Het verhaal van ‘Import/export’ is volledig fictief, maar de grens
met documentaire houdt Seidl bewust erg vaag door op echte locaties
te filmen. De appartementsblokken in de zigeunerwijk waar de mensen
de straten als vuilnisbelt gebruiken, zijn geen uitgevonden
plaatsen, die bestaan écht. De vegeterende bejaarden met hun
reuzenpampers aan op de geriatrieafdeling waar Olga werkt, zijn
geen ingehuurde figuranten, maar echte patiënten. Het geeft de film
een enorme authenticiteit en maakt hem des te confronterender.
Vooral het beeld waarin een skeletachtig oud dametje de hele tijd
prevelt dat ze liever bij haar moeder in de hemel zou zijn, is
hartverscheurend (het maakt de kwestie rond euthanasie met één
beeld heel concreet). Alle scènes met de oudjes zijn in scène
gezette waarheid. De waarheid is natuurlijk lichtjes georchestreerd
en misschien zelfs een paar keer overgedaan, maar het blijft nog
steeds de waarheid. ‘Ik ben niet degene die de wereld schokkend en
ondraaglijk maakt. Ik probeer ze te tonen zoals ze is.’ Daar heeft
hij volledig gelijk in. Wat hij doet is de werkelijkheid tonen, de
lelijke kantjes van onze samenleving registreren. Hij houdt er een
pessimistische visie op na, maar tevens een vrij realistische, hij
heeft gewoon geen zin om alles te romantiseren omdat hij nu
toevallig een film maakt, hij wil een verhaal over de werkelijkheid
vertellen.

Niet alleen de mengvorm tussen documentaire en fictie zorgt
ervoor dat de film een indruk nalaat, het helpt ook dat we enige
sympathie voor de twee hoofdpersonages voelen en de film geen puur
negativisme of een afstandelijke opsomming van al het kwade is. Je
wordt wel degelijk meegesleept in het verhaal van Olga en Pauli
(het dansje van Olga met één van de bejaarden als absoluut
hoogtepunt, zo schoon). Het zijn geen slechte mensen, ze zijn
gewoon het product van hun opvoeding en omgeving en zijn in een
negatieve spiraal van armoede terechtgekomen waar bijna niet meer
uit recht te krabbelen valt. Ze worden vernederd en moeten omgaan
met eenzaamheid, tegenslagen en een groeiende frustratie. Olga
omdat ze de patiënten in het ziekenhuis wil helpen en gelukkig
maken, maar in haar positie als poetsvrouw dat niet mag en bij
Pauli voel je dat er méér in die jongen zit (die discussie met zijn
stiefvader over waarden doet dit vermoeden), maar het zal er
waarschijnlijk nooit uitkomen; het is maar een kwestie van tijd
voor hij ze zal vergooien.

Het feit dat de twee hoofdacteurs geen professionals zijn en een
gelijkaardig verleden hebben als dat van hun personages, geeft de
film veel cachet. De dialogen klonken nog nooit zo natuurlijk en de
twee zijn héél ver gegaan voor hun rol, om iets te presteren dat
wonderbaarlijk is in zijn eenvoud: een portret schetsen van iemand
wiens soms verkeerde daden je toch kan plaatsen binnen hun eigen
achtergrond. In het scenario zat oorspronkelijk een ontmoeting of
toch een kruising van de paden van de twee zielen, maar Seidl
knipte ze er alsnog uit. Zo’n moment had de film een mooie
afronding gegeven, maar misschien was dat nét iets te hoopvol voor
Seidl. Niet dat Seidl alleen negatieve vibes uitstraalt. Om de hele
depressieve bui wat te verlichten, heeft hij zijn film met de
nodige humor verlucht. Zoals bijvoorbeeld het moment waarop Olga
Duitse sekstalk leert van haar vriendin (jep, jep den schwanz komt
erin voor) of wanneer Pauli’s stiefvader zijn borstspieren voor de
spiegel opspant en zichzelf uitvoerig bewondert.

Seidl beheerst zijn eigen uitgevonden docudrama genre perfect,
maar de perfectionist komt pas echt in hem naar boven als het om
zijn tot in de puntjes gestileerde camerawerk gaat. Dat Seidl van
symmetrie houdt, is een understatement. De personages zitten of
bewegen meestal centraal in beeld en als er links twee ramen zijn,
dan vallen er gegarandeerd rechts evenveel te tellen. Binnen zijn
taferelen is de dieptewerking ook erg gecontroleerd (let op de
bewegingen die Pauli maakt bijvoorbeeld bij het schijnboksen of
wanneer hij een balletje tegen de muur kopt, ze zijn opvallend
steeds repetitief naar dezelfde kant). Hij wisselt korte scènes af
met langere, maar allemaal zijn ze perfect afgewerkt en zelfs
afzonderlijk, als kleine verhaaltjes meer dan genietbaar.

Ik hoor het u al luidop denken: dit is weer zo’n film die de
critici de hemel in prijzen, maar waar geen hund naar gaat
kijken. De kans dat ‘Import/Export’ een kaskraker wordt, is
inderdaad zo goed als onbestaande, maar we treuren niet, zolang ú
hem maar hebt gezien, want verdomme… die man heeft een sterke
film gemaakt. Dus gaan we gewoon voor bewondering als eindnoot.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 5 =