August Rush




112 min. / VS /2007

Niet dat ze er mij elke dag voor moeten wakker
schudden, maar van tijd tot tijd lust ik ook wel eens een
sentimenteel filmpje, al was het maar om te bewijzen dat er wel
degelijk een peperkoeken hartje onder de cynische bolster schuilt.
Gezellig knus onder het dekentje kruipen voor de schmaltzklassieker
‘It’s a Wonderful Life’, stiekem een traantje wegpinken bij
plakkers als ‘Legends of the Fall’ en ‘Ghost’ of bijna tot aan de
helft van ‘Meet Joe Black’ geraken. Met wat geluk had ook ‘August
Rush’ zo’n schuldig filmpje kunnen worden, maar helaas, de
traankliertjes bleven droog en onbevredigd achter. Een klein
mirakel, want ‘August Rush’ staat zo klef te wezen dat de
personages net niet van het doek springen om de neusharen van de
toeschouwer los te rukken om een collectieve jankpartij aan de gang
te krijgen. Auwkes!

Er was eens een talentvolle celliste (Keri Russell) die onder de
knoet werd gehouden door haar strenge vader, en er was ook eens een
talentvolle rockzanger (Jonathan Rhys Myers) die op het punt stond
om door te breken met zijn luidruchtig groepje. Tijdens een
magische avond (volle maan en zo) in New York leren de twee door
muziek verbonden zielen, Lyla en Louis, elkaar kennen en slaan de
vonken nog sneller over dan een vallende ster. Een klein
koekenbakske later worden de soulmates uit elkaar
gerukt door het vervloekte noodlot. De avond was niet alleen
magisch maar ook bijzonder vruchtbaar want Lyla blijkt zwanger te
zijn van het viriele podiumbeest. Maar het noodlot blijft de teef
uithangen en het liefdeskindje eindigt in een weeshuis, terwijl de
ouders elk hun eigen weg gaan. Snif. Elf jaar later is het magische
kindje opgegroeid tot een schattig jongetje (Freddie Highmore) die
overal muziek hoort. Hij is er bovendien van overtuigd is dat hij
via de kracht van muziek zijn ouders zal terugvinden. Nou. Een
zoektocht die hem naar het hartje van New York leidt, waar hij
onder de dubieuze hoede wordt genomen van straatmuzikant Wizard
(Robin Williams met een exclusief schmaltzsikje). Terwijl de magie
van de wonderlijke avond terug begint op te flakkeren, beleeft het
muzikale wonderkind, dat ondertussen al met de artiestennaam August
Rush rondhuppelt, een verrassend avontuur vol spiritueel
verantwoorde levenslessen. Magisch.

De reden waarom het van de eerste tot de laatse minuut durende
melofest ‘August Rush’ zelden een juiste snaar raakt, is
grotendeels terug te brengen tot de onkunde van regisseur Sheridan
(dochter van Jim Sheridan en co-scenariste van vaders
tenenkrullende schmaltzdraak ‘In America’). Op zich is
‘August Rush’ niks meer dan een modern sprookje – en daar mag je
gerust overdadig strooien met sentimentjes, tranentrekkertjes en
levenslesjes – maar Sheridan saboteert haar vingerdikke fabel
voortdurend door het zweverige verhaal naar beneden te halen met de
meest voorspelbare clichés en reality checks. ‘August
Rush’ heeft niks met het echte leven te maken, maar toch speelt het
zich af in de realiteit. De botsing tussen de meer mystieke
elementen (muziek werkt hier als een soort Star Warsachtige
Force) en de meer realiteitsgebonden aspecten (een weinig
sprookjesachtig New York houdt de voetjes op de grond) creeërt niet
alleen ongeloofwaardige toestanden, maar zorgt er ook voor dat
‘August Rush’ te vaak absurd en lachwekkend overkomt. Of wat dacht
je van het idee dat een gezochte weesjongen zonder
identiteitspapieren zomaar tot de prestigieuze Juilliardacademie
wordt toegelaten om eventjes muziekles te volgen. That’s just
silly, people.

Ofwel had Sheridan ‘August Rush’ in een vager, minder herkenbaar
en concreet universum moeten plaatsen ofwel had ze de ridicule
wendingen beter in toom moeten houden. Nu is het een schizofreen en
onevenwichtig geval dat er op geen enkel moment in slaagt om een
oprecht gevoel of een overtuigende emotie te laten overslaan. Zelfs
de spielerei met overduidelijke ‘Oliver Twist’-elementen
wordt gefnuikt door een banaal en weinig clever scenario (overladen
met gezwollen dialogen die je doorgaans terugvindt in
Coldplay-teksten) dat steeds op zoek is naar een betekenis en focus
in een onderontwikkeld verhaal. ‘August Rush’ is eigenlijk niks
meer dan een fluffy en berekend tv-melodrama overgoten met
een door Ingeborg goedgekeurde mystiek.

Kindsterretje Freddie Highmore maakt het verrassend genoeg niet
draaglijker. Waar hij in ‘Finding Neverland’ en
‘Charlie and the
Chocolate Factory’
nog uitblinkte met gevoelige, natuurlijke
vertolkingen, komt hij hier teleurstellend bland en
emotieloos over. Keri Russell en Jonathan Rhys Myers moeten dan
weer een Ethan Hawke-Julie Delpy-droomkoppel voorstellen, maar
lijken zich ook maar moeilijk in te leven in de vlakke en
clichématige personages. Maar dat is allemaal nog niks vergeleken
met het staaltje overacting van Robin Williams als moderne
Fagin (die er bij loopt als een potsierlijke Bono-cowboy). Wat een
duister en ambigu nevenpersonage had kunnen zijn, wordt
gemakkelijkheidshalve gereduceerd tot een goedkoop
boo-hiss-slechterikje met rosse bakkebaarden. En Terrence
Howard (als ambtenaar van kinderwelzijn) loopt er al even verweesd
bij als het titelpersonage. Hij krijgt weinig meer te doen dan af
en toe in de straten van New York rond te snuffelen op zoek naar
het wonderventje.

De muziek speelt vanzelfsprekend een cruciale rol in een verhaal
dat draait om een net-niet-autistisch wonderkind dat een
elektrische gitaar gebruikt als piano en drumstel. De
openingsscène, waarin August een woeste wind dirigeert over een
heen en weer wiegend maïsveld, bezit nog iet of wat van
natuurpoëtische kracht (een moment lang denk je dat een mijmerende
Terrence Malick zijn eerste familiefilm heeft gedraaid), maar voor
de rest overstijgt de muziek nooit de functie van manipulatief
Hollywoodgetokkel. De violen krijgen voor één keer de kans om een
hele film aan te zwellen en de bombastische score van Mark Mancina
werkt slechts sporadisch. Van een muzikaal genie had ik nu net iets
briljantere muziek verwacht eigenlijk. Zo is de klepper van een
finale (spoiler alert!) waarin Augusts zelfgecomponeerde
én zelfgedirigeerde muziek een overvol Central Park mag vullen wel
groots opgezet en overdonderend, het verschilt uiteindelijk weinig
van een door André Rieu gebricoleerde eindejaarsspecial. En hoe
sympathiek die populaire violist ook mag zijn, een muzikaal
wonderkind zou ik ‘m niet direct noemen.

Er zal ongetwijfeld wel een snotterend doelgroepje bestaan dat
‘August Rush’ een hele mooie film gaat vinden, en akkoord, er zijn
irritantere tearjerkers -‘In America’ om maar iets
te zeggen – om over te kankeren, maar dat neemt niet weg dat deze
oversentimentele en geforceerde crowdpleaser niet verder
verwijderd kon zijn van dat andere muzikale liefdesprookje,
‘Once’. Enkel
voor de liefhebbers van de stroperigste siroopcinema, de anderen
mogen gerust naar een ander, iets minder plakkerig zaaltje
rushen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + achttien =