Pee-wee’s Big Adventure




Move over Michael Jackson, want de hoofdprijs voor de
meest creepy volwassene die zich gedraagt als een
wereldvreemd kind behoort nog steeds toe aan freak of
nature
Pee-wee Herman. Buiten Amerika is het typetje nooit
echt superbekend geworden – we hadden onze handen al meer dan vol
met Felicé – maar daar over de grote plas was het alter-ego van
acteur Paul Reubens eind jaren tachtig een immens populair mannetje
dat evolueerde van subversief standupmateriaal tot superster van
kinderprogramma ‘Pee-wee’s Playhouse’. Begin jaren negentig kwam er
echter een abrupt einde aan het succes van Pee-wee toen
kindervriend Paul Reubens betrapt werd op het spelen met zijn eigen
pee-wee in een pornobioscoopje. Allemaal vergeven en vergeten, want
in ’85 betekende het fenomeen Pee-wee ook de doorbraak voor een
andere weirdo, Tim Burton; een duister ventje die creepy beesten
illustreerde voor de Walt Disney-studio’s. In ‘Pee-wee’s Big
Adventure’ vond Burton de perfecte
absurd-surrealistisch-anarchistische speeltuin waar hij zo lang
naar op zoek was. Het is allemaal behoorlijk onnozel en
schreeuwerig, maar de creatieve vuurpijlen schoten enthousiast de
lucht in en een ongelooflijk getalenteerde piwi was definitief
gelanceerd.

Het verhaaltje draait dus rond Pee-wee Herman (Paul Reubens),
een tenger baasje met een gekke naam, een nog gekker stemmetje en
een riducle buzzcut, die rondloopt in een te strak grijs
maatpak en de wereld bekijkt als een overenthousiast adhd-kind. Hij
woont in een huis als een attractiepark (check zijn ontbijtmachine,
zoiets vind je niet bij de Ikea) en houdt er van om gekke bekken te
trekken met plakband op zijn kop. Wie niet? Naast zijn Mr.
T-ontbijtgranen (I pity the fool who doesn’t like my
cereal!
) en zijn gevlekte hondje Speck, is de
customized fiets Pee-wee’s meest gekoesterde bezit. De
jongens uit de buurt zijn er jaloers op en Francis (Mark Holton),
Pee-wee’s nemesis, wil er alles voor doen om het in handen te
krijgen. Wanneer het rode fietsje gestolen wordt, trekt een
ontredderde maar daarom niet minder opgefokte Pee-wee door het land
op zoek naar zijn teergeliefde vervoersmiddel. Een ontsnapte
gevangene, een opdienster met een droom, surrealistische
dinosaurussen, fanatieke cowboys en stoere bikers. Ze krijgen
allemaal de eer om kennis maken met Pee-wee en zijn epische
queeste.

Het klinkt wat belachelijk, maar dat excuus voor een verhaal
rond een gestolen fiets is effectief losjes geïnspireerd op de
Italiaanse neorealistische klassieker ‘Ladri di Bicicletti’. Daar
begint de vergelijking en eindigt ze ook meteen. Burtons debuut zou
namelijk niet verder verwijderd kunnen zijn van de asgrauwe
werkelijkheid van De Sica. ‘Pee-wee’s Big Adventure’ is een
luidruchtig zottekot boordevol cartooneske personages die zo uit
een geschrapt Looney Tunes-tekenfilmpje lijken gekropen (er is
zelfs letterlijk een vleesgeworden Bluto aanwezig). Het is een uit
zijn voegen barstende snoepwinkel waarin een spastisch figuurtje
als een kleurrijke kauwgombal over het scherm stuitert en er toch
nog in slaagt om sarcastische opmerkingen tussen het onvermoeibare
hyperenthousiasme te moffelen. Weird. Dit is nog niet het
werk van de grote Tim Burton die parels als ‘Edward Scissorhands’
en ‘Ed Wood’ uit zijn kronkelende hersenpan onder zijn al even
kronkelende haardos haalde. Dit is een film van de Tim Burton die
nog weinig of niks had bewezen en keihard moest opvallen. Met het
oog op een potentiële carrière als filmmaker. Hij deed dit door
werkelijk alle registers open te trekken om zijn creatieve talent
in de verf te zetten. Pee-wee Herman is een narcistische
aandachtshoer, maar ook Burton schreeuwt anderhalf uur lang ‘kijk
eens naar wat ik allemaal kan!’. En ja hoor, hij kan veel.

Ook als is het sporadisch ergerlijke (eufemisme-alarm!) typetje
Pee-wee Herman een creatie van Paul ‘had ik hem toch maar laten
zitten’ Reubens, het is Tim Burton die de meeste pluimen verdient
voor het creëren van de unieke wereld waarin Pee-wee Herman
rondhuppelt met al zijn subversieve homoseksuele trekjes (wat
dartelt hij o zo fruitig). Er gaat geen seconde voorbij of er
gebeurt wel iets visueel interessant. Pee-wee’s moppen scoren vaak
maar de helft van de tijd, maar als ze dan toch werken is het voor
een groot deel te danken aan Burtons onuitputtelijke creativiteit
die hem later naar betere, rijpere en meer volwassen films zou
leiden. Neem nu de scène met de ontbijtmachine (schitterend
gespoofed in’Family Guy’ trouwens). In het door Reubens gepende
scenario stond weinig meer dan ‘Pee-wee maakt zijn ontbijt met een
ontbijtmachine’, maar voeg daar Burtons fantasie aan toe en je
krijgt een ingenieuze constructie die later ook de koekjesmachine
in ‘Edward Scissorhands’ zou inspireren.

Misschien is dat wel het leukste aan ‘Pee-wee’s Big Adventure’,
het spotten van wat later beschouwd zou worden als typische
Burtoneske kenmerken. Het buitenbeentje als hoofdpersonage zou
vanzelfsprekend nog meermaals terugkeren en in de surrealistische
droomsequenties zien we Burton experimenteren met
stop-motion-effecten die ook in zijn opvolger ‘Beetlejuice’
prominent aanwezig zouden zijn, om van zijn ‘The Nightmare Before
Christmas’ nog maar te zwijgen. Net zo met de enge clowns (alweer
een schitterend in beeld gebrachte nachtmerrie van Pee-wee), die
hij zowel in ‘Batman’ als in ‘Batman Returns’ opnieuw zou laten
opdraven. En met de ‘alle remmen los’-achtervolging verraadt
Burton zich als ongegeneerde liefhebber van de B-film door Pee-wee
Herman van de ene crappy filmset naar de andere te laten crossen.
Uit die voorliefde zou later een prachtig cinefiel eerbetoon
voortvloeien aan de slechtste regisseur aller tijden, Ed Wood. En
net zoals de chocoladefabriek van Willy Wonka, hoeft ook het
wereldje van Pee-wee totaal geen steek te houden om een punt te
hebben. Ook al is ‘Pee-wee’s Big Adventure’ slechts een half
geslaagde kinderfilm met halve dubbele bodems voor de volwassenen,
het is een klein genot om Burton zo te zien spelen met
genreconventies, visuele aspecten, thematische stokpaardjes en
andere lekkernijen die hem later zo uniek en geliefd zouden maken.
En zo kan ook de soundtrack van de toen nog onervaren filmcomponist
Danny Elfman (hij was lid van het tot de verbeelding sprekende
groepje Oingo Boingo) niet onvermeld voorbijgaan. Wat Burton
visueel kan, doet Elfman muzikaal zo mogelijk nog beter met zijn
eerste filmsoundtrack, die op carnavaleske en uitzinnige wijze de
spirit van Pee-wee volledig weet te vatten. Toch ook een pluimpje
voor Paul Reubens? Jazeker, zijn Pee-wee-dansje op ‘Tequila’ in een
bikerbar is een hilarische klassieker.

‘Pee-wee’s Big Adventure’ is een met veel tierlantijnen versierd
visitekaartje van een regisseur die zoveel talent heeft dat het
canvas letterlijk dreigt open te scheuren van de onvoorstelbare
toestanden die elkaar in ijltempo opvolgen. Er valt te genieten,
maar dan moet je wel langer dan tien minuten kunnen kijken naar de
strapatsen van Paul Reubens als Pee-wee Herman. Een personage dat
zo love it or hate it is dat kijkers ofwel aanstekelijk
zullen meespringen in de zetel ofwel hun eigen armen zullen
afknagen om naar het scherm te gooien. Misschien toch beter
onmiddellijk overgaan naar ‘Beetlejuice’?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − zeven =