Hallam Foe




Het gebeurt regelmatig dat een film niet weet wat hij wil zijn
of onzeker van toon is. Maar wat je veel minder vaak aantreft, zijn
films die zich van dat alles gewoon geen fluit aantrekken. David
Mackenzie, die enkele jaren geleden het sombere ‘Young Adam’ op ons
losliet, presteert nochtans precies dat met ‘Hallam Foe’, een prent
die even ongrijpbaar is als een paling in een vat vloeibare boter.
De makers schipperen vrolijk (en overduidelijk bewust) tussen drama
en komedie, met hier en daar een lichtjes kinky seksscène
ertussen om het geheel wat te kruiden. Je weet nooit zeker of je nu
moet lachen, huilen of alletwee tegelijk, maar één ding staat vast:
het oedipuscomplex is in deze film meer fun dan zelfs
Freud zich ooit had durven inbeelden.

Jamie Bell (ooit het schattige kereltje met de bokshandschoenen
in ‘Billy Elliot’) speelt Hallam Foe, een 17-jarige jongen wiens
moeder een tijdje geleden verdronken is in het meer achter hun
huis. Zijn vader is sindsdien hertrouwd met (of all
people)
zijn secretaresse, en Hallam heeft het daar zo
moeilijk mee dat hij zich vrijwel geheel heeft teruggetrokken in
een boomhut. Daar worstelt hij continu met de vraag of de dood van
zijn moeder wel een ongeluk was – zat de boze stiefmoeder er
misschien voor iets tussen? Om de gespannen situatie thuis wat te
ontmijnen, stuurt zijn vader hem naar Londen. Maar daar is hij nog
maar net aangekomen of hij ziet er al een dubbelgangster van zijn
mama rondlopen: Kate (Sophia Myles) werkt op de personeeldienst van
een hotel, en wanneer Hallam haar kantoor komt binnengewaaid voor
een job, is ze meteen door de onhandige jongen gecharmeerd. Maar ze
weet natuurlijk niet dat ze door hem gestalkt wordt.

Die korte inhoud suggereert meteen een thriller, of een
zwaarbeladen, deprimerend drama waarin de griezelige jongen
onheilspellend achter het nietsvermoedende meisje aanzit omdat hij
toch zo verschrikkelijk overhoop ligt met zijn eigen demonen uit
het verleden. Je zou er zowat alles aan kunnen linken, maar geen
lichtvoetige tragikomedie, hoewel het dat wél is. Mackenzie snijdt
thema’s aan die stuk voor stuk schreeuwen om een huilerig
melodrama: het verlies van de ouders, stalking, voyeurisme,
seksuele verwarring, you name it. En toch maakt hij er een
luchtige, geestige film van. Een coming of age-verhaal
over een jongen voor wie stalking slechts een stadium is in zijn
ontwikkeling. Sommige pubers slaan om het minste met de deuren
wanneer ze ongelukkig zijn, anderen sluiten zich op in hun kamer
met muziek van Radiohead of masturberen zich blind. Hallam Foe
begluurt mensen. En McKenzie toont ons die “twijfelachtige
gewoonte” (zoals Hallam het zelf noemt) met evenveel
toegeeflijkheid en begrip als hij voor al die andere
pubergedragingen zou kunnen opbrengen. Je zou de film (weliswaar
van veraf) dan ook verwant kunnen noemen aan ‘Igby Goes Down’: ook
hier gaat het over de rite de passage van een
onsympathieke, zelfs lichtjes enge adolescent, voor wie we toch
sympathie kunnen opbrengen omdat we merken dat het wel met hem
goedkomt, eens hij zijn persoonlijke problemen heeft kunnen
oplossen.

Wat ook helpt om van Hallam een aanvaardbaar personage te maken,
is zijn verliefdheid op Kate. Oké, die kalverliefde is op een
bepaalde manier ook weer creepy omdat Kate zo sterk op
zijn moeder lijkt, maar ze verhindert wel dat hij haar ooit iets
zou aandoen – hij is een romantische stalker, als er al zoiets
bestaat.

Eén van de punten waarop David Mackenzie erg goed scoort in
‘Hallam Foe’, is in zijn observatie van het gedrag van mensen
wanneer ze alleen zijn. Hallam besteedt het grootste deel van zijn
tijd op z’n eentje, en hij begluurt Kate ook op momenten dat ze
alleen in haar flat rondloopt. Ze knipt haar teennagels en bijt er
een extra stukje af (yummie!), ze heeft een vibrator in
het nachtkastje liggen en ze werkt haar energie en agressie uit
door thuis te schaduw-kickboksen. Kleine gewoontes en kantjes van
je leven die je liever niet aan de grote klok hangt, hoewel
iedereen ze heeft. Mackenzie is daar erg eerlijk in en geeft ons
sterke personages die zich niet met één enkele eigenschap laten
definiëren. De meest betekenisvolle zin in de film is wellicht: “Ik
ben een echt mens. Soms heb ik het graag zacht, soms graag ruw, ik
heb een affaire met een getrouwde man en mijn stront stinkt, net
als die van iedereen.” Cru uitgedrukt zou je kunnen zeggen dat dat
de boodschap van de film is: iedereen z’n stront stinkt even erg.
En eens je dàt hebt aanvaard, kun je verder met je leven. Dan is je
puberteit voorbij.

Het contrast tussen heavy thema’s en een lichte toon
zorgt ervoor dat de film soms vreemde bokkensprongen moet maken –
een seksscène aan het begin is er bijvoorbeeld aan de haren
bijgesleurd en ook de reactie van Kate wanneer ze meer te weten
komt omtrent de waarheid rond Hallam is bizar. Mackenzie was
schijnbaar zo vastbesloten om geen deprimerende film te maken, dat
hij af en toe flink heeft moeten forceren om het hele verhaal er
naar wens in te prangen.

Die ongeloofwaardigheid af en toe doet echter niets af aan de
acteerprestaties van Jamie Bell en Sophia Myles. Bell levert hier
een definitief bewijs dat hij met een hoog opgehouden hoofd uit de
schaduw van Billy Elliot kan treden; zat hij voordien nog een
beetje vast in bijrolletjes of in kille experimenten als ‘Dear Wendy’, dan krijgt
hij hier voor de eerste keer een vlezige rol om z’n tanden in te
zetten. En verdomd, het lijkt hem te smaken. Sophia Myles maakt van
Kate dan weer een sterke madam, zonder dat ze vervalt in de
Flair-clichés van wat een sterke madam hoort te zijn. Feilbaar,
twijfelend, iemand die zich stoerder voordoet dan ze is, maar al
bij al niettemin een moordwijf.

Op die manier wordt ‘Hallam Foe’ een boeiende bastaardkruising
tussen verschillende genres, die misschien niet helemaal geslaagd
is, maar wel als een frisse bries door de zalen waait en gaandeweg
jong talent de kans geeft om definitief te tonen wat het kan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven + veertien =