Blanche :: Little Amber Bottles

Lee Hazlewood, gezegend met de meest sexy snor in de hele muziekwereld, is al even niet meer. De warme bariton, die als geen ander honingzoete melodieën aan dubbelzinnige teksten wist te koppelen, betrad deze zomer de eeuwige jachtvelden en nooit eindigende steppes. Zijn stem zindert evenwel nog steeds na in zijn vele muzikale bastaardkinderen.

In 2006 werd de titel van "mooiste koppel sinds Nancy & Lee" nog opgeëist door Isobel Campbell en Mark Lanegan, maar in 2007 gaat die prijs overduidelijk naar het getrouwde duo Dan John Miller en Tracee Mae Miller van Blanche (u kent hen misschien als Mr. en Mrs. Luther Perkins uit de Cash-biopic Walk The Line). De groep kwam een eerste maal in het wereldnieuws toen Jack White — hij speelde met Miller ooit in Two Star Tabernacle — tijdens de voorstelling van hun debuut If We Can’t Trust The Doctors slaags raakte met Von Bondies-frontman Jason Stollmeier.

Oorspronkelijk werd het debuut in eigen beheer uitgebracht, maar platenmaatschappij V2 zag al snel het potentieel in deze mix van stokoude americana, flarden gothic rock en charmante snake oil taglines. Zelden klonk een plaat zo oud én hedendaags tegelijkertijd, en bovendien verfrissend grappig zonder dat het er vingerdik op lag of er muzikaal op achteruit ging. Het album van het jaar zou If We Can’t Trust The Doctors niet snel worden, daarvoor was het niet catchy genoeg, maar opmerkelijk was het zeker.

Opvolger Little Amber Bottles was gepland voor 2006, maar vroeg toch een jaartje langer om te rijpen. Die extra sabbat heeft de groep duidelijk deugd gedaan. Op de tweede plaat is een voller klinkende band aanwezig die zijn materiaal beter beheerst. Het album klinkt niet alleen als een hommage aan Lee Hazlewood — Miller zingt zowaar tien octaven lager dan voorheen — maar ook als een plaat die met minstens één been in de pure country staat.

Met opener en duet "I’m Sure Of It" wordt onmiddellijk de "Lee&Nancy"-kaart getrokken zonder dat de familie Miller met de billen bloot komt te staan. Ook de countryballad "No Matter Where You Go" weet zich met de juiste mensen omringd. Het titelnummer had zelfs zonder gêne op Fairytales And Slavery gekund dankzij Tracee Millers vocale capriolen, die ongegeneerd tegen Nancy Sinatra aanschurken. Manlief toont zich overigens een goede leerling van de Hazlewood-school in het voortdenderende "The World I Used To Be Afraid Of", dat honky tonk weet te verzoenen met een op geheel eigen wijze croonende Miller.

Dat Blanche ook van andere walletjes durft te eten, maakt de stevige countryrocker "What This Town Needs" wel duidelijk. "The World’s Largest Crucifix" vertoont samen met het instrumentale "Exordium" dan weer de meeste gelijkenissen met de nummers van het debuut, terwijl "I Can’t Sit Down" een vrolijke ho-down/countrymeestamper geworden is. In schril contrast met die gemeende vrolijkheid staat de meeslepende countryballade "Child Of The Moon", dat met Hank Williams’ "I’m So Lonesome I Could Cry" strijdt om de titel van "meest melancholische countryballad aller tijden".

Nieuw bandlid Little Jack Lawrence (The Raconteurs) — Patch Boyle heeft zich volgens de groep verstopt — bewijst op het indroeve "O Death, Where Is Thy Sting" een uitstekende zanger te zijn, terwijl het bitterzoete "Last Year Leaves", het vals gelaten "A Year From Now" en het bedrieglijk bedaard klinkende "Scar Beneath The Skin" als geen ander de klassieke Blanche-thema’s hoop, geloof, liefde, verlossing en vooral het gebrek daaraan weten te schetsen.

Little Amber Bottles heeft in vergelijking met het debuut ingeboet aan speelsheid, maar maakt dat ruimschoots goed door een schare uitgelezen songs. Lee Hazlewood kan niet anders dan een goedkeurend monkellachje op de lippen toveren in het besef dat zijn erfenis toch in de juiste handen terechtgekomen is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 1 =