Iron & Wine :: The Shepherd’s Dog

Met het voortschrijden der jaren komt ook de verzadiging en de berusting. De Sturm Und Drang die de jeugd kenmerkt, maakt plaats voor een bedaard overpeinzen en voorzichtig handelen. Wat ooit rijk en vol van leven was, is nu niets meer dan een echo. Het langoureuze en soms zelfs somptueuze wordt ingeruild voor een minimalistische esthetiek.

Aan dergelijke wijsheden heeft de southern bard Sam Beam duidelijk geen boodschap. Waar op zijn debuut The Creek Drank The Cradle nog een vallende speld gehoord kon worden, werd dit met elke volgende plaat wat moeilijker. De stijlbreuk — al bleef Beam al bij al zweren bij zijn southern feel en smukte hij die hoogstens hier en daar wat op — was het duidelijkst te horen op het wondermooie Woman King waar hij de pracht van de vrouw in zes verschillende nummers wist te vatten.

The Shepherd’s Dog gaat opnieuw wat verder die weg op. Enerzijds lezen de teksten nog steeds als kleine verhalen met nu en dan een religieuze inslag en wordt ook de muzikale achtergrond niet verloochend; anderzijds is er toch meer aan de hand. Zo klinken de songs naar de normen van Iron & Wine opvallend vol (denk aan “Evening On The Ground (Lilith’s Song)” van de e.p. Woman King), en slaagt Beam erin om in een handvol songs een heel andere toon aan te slaan zonder zichzelf te verloochenen.

Met “Pagan Angel And A Borrowed Car” wordt nog voorzichtig gestart. De melodie strompelt weliswaar licht beschonken richting uitgang en er treden meer instrumenten aan dan op alle vorige albums samen, toch blijft het een “klassieke” Iron & Wine-song die fans niet voor het hoofd stoot. Ook “White Tooth Man” weet netjes hoe ver hij mag gaan. De song kleurt voorzichtig buiten de lijnen maar zorgt voor voldoende houvast voor de luisteraar. Wie de samenwerking met Calexico wist te smaken, herkent zelfs onmiddellijk de Tex-mex-aanpak die in “Lovesong Of The Buzzard” wordt gehanteerd.

De fans van het oude werk kunnen daarna hun hart ophalen bij het verstilde “Carousel” of bij “Innocent Bones”. Ook “House By The Sea” klinkt opvallend zacht, maar de song heeft dan weer zo een tegendraads ritme dat het toch een “breuk” vormt met het verleden. Net zoals het boven alles zwevende en uitermate geslaagde buitenbeentje “Wolves (Song Of The Shepherd’s Dog)” waarin Beam alle remmen los gooit. Met het kalme “Resurrection Fern” wordt evenwel niet alleen teruggegrepen naar de eerste twee platen, maar volgt ook het tweede hoogtepunt.

“Boy With A Coin” sluit daarna netjes aan bij het gros van de plaat door kleine weerhaakjes toe te voegen aan het klassieke repertoire. Ook “Peace Beneath The City” maakt zich gewenst door gitaarlaagjes op een bed van percussie te draperen en Beams karakteristieke stem er doorheen te weven. “Flightless Bird, American Mouth” is dan weer een American ballad op het randje, er wordt iets te veel met stroperige country geflirt, al weet Beam zijn evenwicht wel te behouden. Zo er na al dat fraais al een minpunt te vinden is op The Shepherd’s Dog, laat het dan het aan country, jazz en soul gelieerde “The Devil Never Sleeps” zijn, dat de plaat beter niet gehaald had.

Met The Shepherd’s Dog puurt Beam zijn stijl verder uit door er paradoxaal genoeg meer elementen aan toe te voegen. Andere artiesten vinden zichzelf terug door alle overbodige franjes overboord te gooien en enkel de naakte essentie van een song over te houden. Iron & Wine bewijst echter dat het ook in de andere richting werkt en levert met The Shepherd’s Dog een plaat af die qua schoonheid niet onder hoeft te doen voor het debuut.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 2 =