The Bourne Ultimatum




In z’n bespreking van ‘Rogue Assassin’ (ja, ik
doe die mens wat aan) vroeg mijn gewaardeerde collega zich luidop
af wat er ooit gebeurd is met de ouderwetse actiesterren. Zo van
die bonken van kerels à la Sylvester Stallone en Arnold
Schwarzenegger, die in de knokfilms van de jaren tachtig met een
grimas die lichte hersenbeschadiging suggereerde een bataljon aan
tanks te lijf gingen, enkel met hun knuisten en een flatterend om
hun schouders gedrapeerde Amerikaanse vlag. Dat die kerels een
dagje ouder worden en zich in de steroïden of (nog erger) politiek
storten, tot daar aan toe, maar de opvolging bleef uit, met enkel
fletse would-be helden als The Rock en Vin Diesel als
doekje voor het bloeden. Misschien is de verklaring wel gewoon dat
we die retro-bonken niet meer nodig hebben. Of het nu komt door het
post-9/11 klimaat (daar schijnt àlles aan vast te hangen,
tegenwoordig) of door iets anders, maar de onoverwinnelijke
spierenbundel doét het gewoon niet meer. De grote actiefilms van
tegenwoordig hebben de neiging om hun helden zo menselijk mogelijk
te maken. Zoals de ‘Bourne’-films, bijvoorbeeld. Matt Damon slaat
een klein leger aan CIA-gespuis in elkaar en overleeft meer
auto-ongelukken dan eender welke Formule 1-racer in z’n hele
carrière, maar dammit… Hij heeft ook iets
kwetsbaars.

Vandaar ook dat de meeste mensen de ‘Bourne’-films accepteren
als redelijk geloofwaardig, ondanks de onmogelijke stunts en
high-tech actie: Matt Damon geeft ons immers een hoofdpersonage dat
nooit overtuigd lijkt van zijn eigen eindoverwinning. Geweld is
niet iets waar hij van geniet, maar iets waar hij toe verplicht
wordt. Da’s een belangrijk mentaliteitsverschil, en het
eindresultaat daarvan is zonder meer de beste actietrilogie van het
nieuwe millennium.

In dit derde deel (na ‘Supremacy’ opnieuw
geregisseerd door Paul Greengrass) is Jason Bourne nog steeds op
zoek naar zijn identiteit. Wanneer Brits journalist Simon Ross
(gespeeld door Paddy Considine) plots uitgebreide artikels begint
te schrijven over Treadstone, de schemerige CIA-organisatie waarvan
Bourne deel uitmaakte, besluit Bourne om Ross op te zoeken. De bron
waar de journalist z’n informatie haalt, zou hem immers ook heel
wat kunnen vertellen. Ondertussen wordt hij echter op de hielen
gezeten door Noah Vosen (David Strathairn), een hoge pief bij de
CIA die Bourne nog steeds als een grote bedreiging ziet en hem zo
snel mogelijk onder de grond wil steken.

‘The Bourne Ultimatum’ presenteert zich, zeker tijdens het
eerste half uur, als een razend ingewikkelde spionagefilm, waarvan
elke scène zich in een ander land afspeelt en onheilspellend
uitziende mannen in zwarte overjassen conversaties voeren die we
maar half begrijpen, maar die sowieso niet veel goeds voorspellen.
(Je weet dat je in de problemen zit als de baas van de CIA een
shoot on sight-bevel tegen je uitvaardigt.) Maar
uiteindelijk is die indruk van een aartsmoeilijke plot niet meer
dan een illusie. Als je achteraf even op de film terugkijkt, moet
je vaststellen dat je eigenlijk niet zoveel te weten bent gekomen
dat je na de eerste film al niet wist. Bourne maakte deel uit van
een illegaal CIA-moordcommando, Treadstone, en uiteraard willen de
autoriteiten niet dat dat uitlekt. Wat wordt daar in ‘Ultimatum’
nog voor wezenlijks aan toegevoegd? Wel, er bestond een operatie
die ‘Blackbriar’ heette, en die een update van Treadstone
was. Dat is het wel zo’n beetje.

Dat verhaal is dus al bij al nogal magertjes (hoewel er
uiteraard nog wel wat extra informatie wordt gegeven over Bourne’s
persoonlijkheid), maar hoed af voor Paul Greengrass: hij weet hoe
hij de schijn moet ophouden. De personages crossen de halve wereld
rond en bereiken daarmee vaak maar bitter weinig… Maar zo lang
het bezig is, heb je als kijker wel continu de indruk dat er
vanalles aan het gebeuren is. Het verhaal evolueert niet echt, maar
het lijkt het alsof dat wel het geval is. Zo lang je jezelf maar
voorneemt om er achteraf niet te diep over na te denken, kan dat
best genoeg zijn.

Net zoals z’n voorgangers is ‘The Bourne Ultimatum’ in z’n hart
gewoon een chase movie, waarin de CIA steeds zwaardere
middelen inzet om Bourne te vinden (“ik wil een tap op zijn gsm,
zijn Blackberry, zijn huisdieren en zijn twaalfvingerige darm en ik
wil het nu!”) en Bourne steeds vindingrijker wordt in het bedenken
van ontsnappingen. Al de rest – de spy speak over
mysterieuze organisaties, het schijnbaar willekeurig gehuppel
tussen de continenten – is enkel aankleding. Het gaat over de
achtervolging en verdomd, die mag er wezen. Paul Greengrass steekt
een paar schitterende suspense-scènes in elkaar: graaf je
vingernagels in je armsteunen tijdens de Waterloo station-sequens,
gibber als een klein kind bij de achtervolging over de daken (en
door de ramen) van Tangers en trappel met de voetjes tijdens een
chase met een politiewagen. Greengrass weet perfect hoe
hij zulke scènes moet opbouwen om zijn publiek het zweet op het
voorhoofd te zetten.

Wat hij nu nog eens zou mogen leren, is om zijn camera eens twee
seconden stil te houden. In ‘Bloody Sunday’ destijds
werkte die aanpak van een shaky cam nog wel, omdat het de
chaos van een verschrikkelijk waargebeurd incident weergaf. In
‘The Bourne
Supremacy’
daarentegen, zat ik al stilletjes terug te verlangen
naar de helderheid waarmee Doug Liman de actiescènes van het eerste
deel in beeld had gebracht, en hier is dat niet anders. Greengrass
blijft een fan van snelle cuts, veel close-ups en een voortdurend
bewegende camera, maar dat zorgt ervoor dat het vaak moeilijk wordt
om je te oriënteren in de actie. Een vuistgevecht in een flatje in
Tangers valt nauwelijks te volgen omdat het zo verrekt
flashy gemonteerd is.

Vaak wordt dat soort van hypersnelle montage aangewend om een
gebrek aan talent te verdoezelen: als je niet weet hoe je je
actiescènes in beeld moet brengen, dan ga je ze op die manier
monteren, want dan kan toch niemand volgen. Maar hier ligt het
anders: Greengrass kan het wel, zijn scènes zijn zorgvuldig
opgebouwd en wanneer je het dan toch allemaal kunt volgen, merk je
wel dat er een sterke interne logica in de actie zit – in het echt
zou het niet kunnen, natuurlijk, maar binnen de grenzen van de film
is er echt wel over alles nagedacht. Alleen blijft hij bewust
kiezen voor die adhd-stijl, wat hem niet altijd ten goede komt.

Matt Damon zet nog steeds een geweldige Bourne neer: een man die
automatisch zijn gevoelens verbergt, maar heel af en toe een klein
prikje laat zien van de mens achter de moordenaar/held. Ditmaal
krijgt hij tegenwerking van David Strathairn, wiens rol hier quasi
identiek is aan die van Chris Cooper in het origineel. Strathairn
speelt dit soort rollen met z’n ogen dicht, maar is een heerlijke
slijmbal. Joan Allen en Julia Stiles zijn terug om de vrouwelijke
touch te verzekeren, en hoewel hun personages niet bijster
sterk zijn uitgewerkt, weten ze toch een emotionele dimensie aan de
film te geven (zeker in het geval van Stiles).

‘The Bourne Ultimatum’ heeft dus wel z’n problemen: het verhaal
is wat flauwtjes en Greengrass mag echt wel eens leren dat hij z’n
publiek niet zeeziek hoeft te maken om intensiteit op te wekken.
Maar niettemin blijft dit intelligente blockbuster-cinema,
die mij in ieder geval doet hopen dat The Rock en Vin Diesel het
actiegenre nog even met rust laten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − zes =